Een coverband… niets meer dan een coverband… Zo zou een niet-kenner de legendarische mannen van BEAT kunnen omschrijven. En tsja, in feite zou hij gelijk hebben, ware het niet dat dit wellicht wel eens de meest complete coverband ter wereld zou kunnen zijn, met de meest virtuoze muzikanten ooit. Nee, een coverband mag je BEAT niet noemen, want toen toen Adrian Belew en Tony Levin aan Bill Bruford en Robert Fripp vroegen de Jaren 80-versie van King Crimson nogmaals ten tonele te brengen om die magistrale topalbums ten gehore te brengen, zagen de twee legendes het wel zitten, maar bedankten vriendelijk. Toen Belew en Levin daarop rasartiesten als Steve Vai en Danny Carey vroegen, gaven ook Fripp en Bruford hun zegen voor het viertal, dat uit respect voor Fripp niet als King Crimson maar als BEAT, naar het gelijknamige album, werd genoemd. De kenners wisten genoeg…
Vanaf het moment dat de vier ruiters woensdagavond tezamen het podium van 013 in Tilburg opzochten, hing er een duidelijke spanning in de zaal. Kon een compleet andere bezetting recht doen aan het complexe en eigenzinnige materiaal dat King Crimson ooit op de plaat zette? Na ruim twee uur spelen leek het antwoord overtuigend bevestigend.
Het project draagt de naam BEAT en wil zich dus nadrukkelijk niet als coverband of supergroep presenteren, ook al is het in de praktijk een beetje van beide. Belew en Levin maakten zelf ooit deel uit van King Crimson, in de periode waarin de band volgens velen zijn meest gedurfde en avontuurlijke werk neerzette. Vai, bekend van zijn loopbaan als gitaarvirtuoos, en Carey, de drummer van Tool, vulden de line-up aan en brachten elk hun eigen signatuur mee zonder het karakter van het originele materiaal te verloochenen.
In Tilburg, gehuld in vrolijk overdreven outfits met een knipoog naar de jaren tachtig, lag de focus vooral op het hoekige en gedreven werk dat de band destijds neerzette. De eerste set bestond grotendeels uit nummers die destijds zelden live werden gespeeld, met onder meer het ondoorgrondelijke ‘Industry’ en het hectische ‘Dig Me’. Belew liet met droge humor weten dat de band bewust met het toegankelijkere materiaal begon, een opmerking die met gelach werd ontvangen. Wat volgde was muziek die tegelijk chaotisch en strak gecontroleerd aandeed, vol scherpe gitaarlijnen, ongebruikelijke stemeffecten en ritmes die voortdurend van richting wisselden. Vooral het samenspel tussen Belew en Vai viel op: hoe verschillend hun aanpak ook was, telkens kwamen ze weer messcherp getimed samen.
Het zwaartepunt van het programma lag bij de drie albums die de band in de jaren tachtig uitbracht: ‘Discipline’, ‘Beat’ en ‘Three of a Perfect Pair’. Zelfs een nummer dat nog nooit door King Crimson zelf live is gespeeld kwam voorbij, ‘Model Man’. Maar ook enkele nummers die alleen in het begin van de jaren 80 ooit live zijn gespeeld, ‘Dig me’, ‘Industry’, ‘Sartori in Tangier’, ‘Man with an Open Heart’ en het experimentele ‘Larks’ Tongues in Aspic (Part III)’, kwamen voorbij. Het publiek kon genieten van parels van weleer, die ze met een aan waarheid grenzende waarschijnlijkheid nog nooit live hadden gehoord. Na de pauze verschoof de aandacht naar wat toegankelijker materiaal, met nummers als ‘Frame By Frame’ en ‘Matte Kudasai’, al bleef ook dat zelden eenvoudige kost. De muziek bewoog zich voortdurend tussen botsende en samensmeltende invloeden uit prog, jazz en experimentele rock, complex en veeleisend, maar voor wie er oren naar had ook bijzonder avontuurlijk. BEAT zocht daarbij niet naar een natuurgetrouwe weergave van de originelen, maar gebruikte de eigen klasse en ervaring om tot eigentijdser klinkende interpretaties te komen.
Gedurende de avond was te zien dat de vier muzikanten zichtbaar genoten van elkaars spel. Carey liet zich op zijn beurt niet zien als de beukende slagwerker die hij bij Tool kan zijn, maar speelde ingetogen en gevoelig, onder meer samen met Belew achter een set rototoms. Levin zorgde op zijn Chapman Stick en kenmerkende bassen niet alleen voor het ritmische fundament, maar hield de klank ook warm op momenten dat de muziek een hardere, industriële kant op dreigde te gaan.
De inbreng van Vai was van even groot belang: waar het gitaarwerk van Fripp ooit bijna wiskundig precies klonk, gaf Vai de nummers een vloeiender en organischer karakter, zonder in te leveren op virtuositeit. Na tientallen samenwerkingen leek het alsof Vai eindelijk zijn band had gevonden, met zo’n plezier zat de meester in het samenspel. Voor hem natuurlijk een eenvoudig uitstapje, want met slechts één gitaar om zijn nek kon hij excelleren tot in perfectie.
Richting het einde van het optreden bracht de band een knipoog naar het verdere verleden van Crimson door een instrumentaal nummer van het album ‘Red’ te spelen, een uitstapje buiten het eigenlijke concept van de avond en tegelijk een eerbetoon aan Fripp en aan de inmiddels overleden John Wetton. Het slotnummer van de avond zorgde voor uitgelaten reacties vooraan in de zaal, waar een deel van het publiek meesprong alsof het om een doodgewoon meezingnummer ging in plaats van om ingewikkelde polyritmiek.
Spektakel in de vorm van videowanden, lasers of andere uiterlijkheden ontbrak die avond volledig. Slechts een groot achterdoek met een inmiddels iconische olifant, dat het logo is van de band. Met dit optreden in 013 bevestigde BEAT dat herinterpretatie niet hetzelfde hoeft te zijn als imitatie. Vier rasmuzikanten op leeftijd, maar met onverminderd plezier en precisie, gaven het materiaal van King Crimson een eigen kleur zonder de essentie van de oorspronkelijke composities los te laten. BEAT een coverbandje… maar dan wel een die King Crimson overstijgt… dat dan wel…
