Er zijn liedjes die een tijdperk weerspiegelen, en er zijn liedjes die de tijd zelf overtreffen. ‘La Vie en rose’ behoort tot de tweede categorie. Geschreven in het turbulente naoorlogse Parijs, uitgebracht als single in 1947 en dertig jaar later opnieuw tot leven gewekt door de Jamaicaanse performer Grace Jones, is dit chanson uitgegroeid tot één van de meest herkenbare en onovertroffen liefdesliederen in de geschiedenis van de populaire muziek. Het is een lied over het zien van de wereld door een roze waas van geluk, over liefde die alles kleurt en alles verandert. En toch heeft het een diepte die ver uitstijgt boven het romantische cliché. Want achter de tonen van dit lied schuilt het verhaal van een vrouw die het leven kende in zijn hardste gedaante, en desondanks schoonheid vond.
Édith Piaf
Édith Giovanna Gassion werd op 19 december 1915 geboren in Parijs, in omstandigheden die je niet zou wensen aan wie dan ook. Haar moeder, een Italiaans-Berberse kroegzangeres met de artiestennaam Line Marsa, verliet haar kort na de geboorte. Haar vader, de acrobatische straatartiest Louis Alphonse Gassion, was niet in staat voor haar te zorgen en liet haar achter bij zijn moeder, die in Normandië een bordeel runde. Het meisje groeide op tussen prostituees, verloor op jonge leeftijd tijdelijk haar gezichtsvermogen door een hoornvliesontsteking, en trok als tiener bij haar vader in om als straatartieste te overleven.
Op haar vijftiende verliet ze het ouderlijk huis definitief en zong ze voor haar brood op de trottoirs van Parijs. Haar stem, rauw en tegelijk wonderbaarlijk verfijnd, liet niemand onberoerd. In 1935 werd ze ontdekt door Louis Leplée, eigenaar van nachtclub Le Gerny. Hij gaf haar de bijnaam La Môme Piaf, de kleine mus, een naam die haar voor altijd zou bijblijven. Leplée werd een jaar later vermoord, vermoedelijk door gangsters met wie Piaf eerder in contact was gekomen via haar straatleven. Ze werd verhoord maar vrijgesproken, al tastte de zaak haar reputatie tijdelijk aan.
Wat volgde was een carrière van ongekende omvang. Piaf werd niet alleen de grootste zangeres van Frankrijk, maar ook één van de meest gevierde artiesten van de twintigste eeuw. Ze belichaamde het genre van de chanson réaliste, liederen over liefde, verlies en de zwaarte van het leven, en ze zong ze met een intensiteit die haar publiek iedere keer opnieuw ontwapende. Haar muziek was diep autobiografisch: de pijn in haar stem was niet gespeeld, maar geleefde werkelijkheid. Ze verloor haar grote liefde, de bokser Marcel Cerdán, in 1949 bij een vliegtuigongeluk. Ze kampte met zware alcoholverslaving en een pillengebruik dat haar gezondheid sloeg. Ze overleefde drie ernstige auto-ongelukken. En toch bleef ze zingen.
In 1957 behaalde ze een van haar grootste triomfen met een uitverkocht concert in Carnegie Hall in New York, waar de recensent van de New York Times schreef dat de zaal overspoeld werd met tranen. Tienduizend mensen stonden haar minutenlang toe te juichen. Het was een bevestiging van iets wat het Parijse publiek al lang wist: Édith Piaf was uniek, onnavolgbaar, en van een klasse apart.
La Vie en rose
Het verhaal van ‘La Vie en rose’ begint op een terras in Parijs, ergens in 1945. Piaf en haar vriendin Marianne Michel troffen elkaar in een café, en Michel had een handjevol muzikale aantekeningen bij zich. Ze vroeg Piaf of die iets met de melodie kon doen. Wat volgde was een van de vruchtbaarste songwritingsessies in de Franse muziekgeschiedenis. Piaf schreef vrijwel meteen tekst bij de melodie, al verschilde haar oorspronkelijke versie op één cruciaal punt van de definitieve: zij schreef aanvankelijk “les choses en rose”, de dingen in het roze, waarop Michel de tekst licht aanpaste naar “la vie en rose”, het leven in het roze. Die kleine verandering zou de wereld veroveren.
De muziek was officieel geregistreerd op naam van componist Louis Guglielmi, beter bekend als Louiguy, omdat Piaf bij de muziekorganisatie SACEM niet voldeed aan de vereisten om zelf auteursrecht te kunnen claimen. De werkelijkheid was gecompliceerder: ook de componiste Marguerite Monnot speelde een rol in de totstandkoming van de melodie.
Aanvankelijk waren Piafs directe omgeving en haar songwritingteam weinig enthousiast. Ze vonden het nummer zwakker dan de rest van haar repertoire. Op hun aanraden legde ze het lied even terzijde. Maar in 1946 zong ze het voor het eerst live in concert, en het publiek reageerde onmiddellijk. Het lied sprak direct tot het hart van mensen die juist de horror van de Tweede Wereldoorlog hadden doorstaan. Een lied over pure liefde, over het zien van schoonheid in het gewone leven, klonk in die context niet naïef maar noodzakelijk.
In 1947 werd ‘La Vie en rose’ uitgebracht als single via Columbia Records, een divisie van EMI. Het succes was overweldigend. Het lied was in 1948 de bestverkochte single van Italië, en in 1949 de op acht na bestverkochte van Brazilië. In de Verenigde Staten barstte het in 1950 volledig los: maar liefst zeven verschillende versies bereikten tegelijkertijd de Billboard-hitlijsten. Tony Martin haalde de negende plaats, Paul Weston de twaalfde, en Bing Crosby de dertiende. Piaf zelf deed het daar ook goed mee haar eigen versie. Louis Armstrong, Dean Martin en Ralph Flanagan brachten eveneens coverversies uit die goed scoorden. Het was een ongekend fenomeen: één Frans lied dat tegelijkertijd door zeven artiesten in één land een hit werd.
Tekstschrijver Mack David schreef Engelstalige teksten bij de melodie, waarmee het lied ook voor een breder internationaal publiek toegankelijk werd. Piaf trad op in de Franse film ‘Neuf garçons, un coeur’ in 1948 en zong het lied daarin live. Later verscheen ‘La Vie en rose’ op vrijwel al haar studioalbums en talloze compilaties. Het werd haar handtekening, haar visitekaartje, het lied waarmee haar naam voor altijd verbonden zou zijn.
In 1998 ontving het lied de Grammy Hall of Fame Award, een bekroning die zijn tijdloze belang definitief bezegelde.
Grace Jones
In 1977 deed een jonge Jamaicaanse vrouw iets wat op het eerste gezicht haast onmogelijk leek: ze nam Piafs meest iconische lied en maakte er iets volledig eigens van. Grace Beverly Jones, geboren op 19 mei 1948 in Spanish Town, Jamaica, had tegen die tijd al een succesvolle modellen carrière achter de rug in Parijs en New York. Ze had geposeerd voor Elle en Vogue, was de muze van ontwerpers als Yves Saint Laurent en Kenzo, en deelde een appartement in Parijs met onder anderen Jerry Hall en Jessica Lange.
Maar muziek trok haar ook, en na een reeks matig ontvangen singles in 1975 en 1976 tekende ze een contract bij Island Records. Ze werd gekoppeld aan discogrootmeester Tom Moulton, en samen namen ze in de Sigma Sound Studios in Philadelphia het debuutalbum ‘Portfolio’ op. Jones had een radicale benadering: ze wilde ‘La Vie en rose’ niet horen in de versie van Piaf voordat ze haar eigen interpretatie opnam. Ze wilde niet beïnvloed worden door de manier waarop Piaf het zong. Het resultaat was dan ook volkomen anders dan men gewend was.
Waar Piaf de tekst met ingehouden hartstocht en theatrale diepgang zong, koos Jones voor een bossanova-discocombinatie die de melodie transformeerde in iets fluïde, sensueel en modernistisch. De albumversie duurde meer dan zeven minuten, een bewijs van de uitgebreide productie die Moulton eraan gaf. De singleversie werd teruggebracht tot 3,5 minuut. Het lied bereikte de Franse en Italiaanse top vijf, en was in Nederland bij een heruitgave in 1983 eveneens een grote hit. In 1985 bereikte het als dubbele A-kant, gekoppeld aan ‘Pull Up to the Bumper’, de twaalfde plaats in de Britse hitlijsten. De single werd goud gecertificeerd in zowel Frankrijk als Italië.
Jones’ versie werd een van de vaste nummers in haar live-repertoire. In haar beroemde ‘A One Man Show’ uit 1981 was het het enige nummer uit haar discoperiode dat ze opnam in de show. Dat zegt alles over de speciale betekenis die het lied voor haar had.
Portfolio
Het album ‘Portfolio’ was tegelijkertijd een gewaagde en slimme zet. De eerste kant bestond uit een aaneengesloten medley van drie nummers uit Broadwaymusicals: ‘Send in the Clowns’ van Stephen Sondheim uit ‘A Little Night Music’, ‘What I Did for Love’ uit ‘A Chorus Line’ en ‘Tomorrow’ uit ‘Annie’. Hiermee positioneerde Jones zichzelf als vertolkster van grote theaterklassiekers, maar dan in een eigentijdse, dansvloervriendelijke jas.
De tweede kant begon met de zeven minuten durende versie van ‘La Vie en rose’, gevolgd door eigen composities en de clubhit ‘I Need a Man’, die Jones bij het homoseksuele clubpubliek in New York grote populariteit had opgeleverd. Het album had een luxueuze uitstraling, met artwork van de illustrator Richard Bernstein, die voor het tijdschrift Interview werkte. De productie van Tom Moulton was glanzend en ruimtelijk, precies wat de discoscene van die jaren vroeg.
‘Portfolio’ werd gevolgd door ‘Fame’ in 1978 en ‘Muse’ in 1979, ook beide geproduceerd door Moulton. Daarna maakte Jones een radicale stijlwending richting new wave, reggae en post-punk met albums als ‘Warm Leatherette’ en het monumentale ‘Nightclubbing’ uit 1981. Jones groeide uit tot een van de meest bepalende figuren van het poplandschap van de jaren tachtig, met een visuele identiteit en een podiumaanwezigheid die generaties artiesten na haar heeft beïnvloed, van Madonna tot Beyoncé.
Non, je ne regrette rien
Wie Édith Piaf zegt, zegt ook ‘Non, je ne regrette rien’. Hoewel ‘La Vie en rose’ haar internationale doorbraak betekende, is het dit nummer dat velen beschouwen als haar ware testament. Het werd geschreven door componist Charles Dumont en tekstschrijver Michel Vaucaire, en opgenomen op 10 november 1960. Piaf reageerde aanvankelijk afwijzend toen Dumont haar zijn composities aanbood, maar werd na lang aandringen zodanig geraakt door dit lied dat ze ter plekke zei: dit is het lied waarop ik al mijn hele leven heb gewacht.
Het nummer bereikte de top van de Franse hitlijsten en bleef er zeven weken staan. Piaf droeg het op aan het Franse Vreemdelingenlegioen, dat het nummer adopteerde als een soort strijdlied. Later zou ‘Non, je ne regrette rien’ een nieuw wereldpubliek bereiken dankzij de sciencefictionfilm ‘Inception’ uit 2010, waarin het diende als akoestisch signaal om droomlagen te verlaten. Een surrealistisch lot voor een lied dat ooit bedoeld was als pure liefde-declaratie.
Piaf zong het nummer op sommige van haar zwaarste momenten, met een door artritis gebogen rug en bijna niet in staat om te staan door de pijn. En toch klonk haar stem ongebroken. Dat contrast, tussen de kwetsbaarheid van haar lichaam en de onaantastbare kracht van haar stem, maakte haar optredens in haar laatste jaren tot haast ondragelijk intense ervaringen voor wie erbij was.
Er is iets merkwaardigs aan het lot van grote liederen: ze lijken groter te worden naarmate de tijd verstrijkt. ‘La Vie en rose’ is in de decennia na Piafs dood in 1963 uitgegroeid tot meer dan een lied. Het is een symbool geworden, van Frankrijk, van romantiek, van een soort menselijke warmte die alle culturele grenzen overstijgt. De film ‘La Vie en Rose’ uit 2007, een biopic over Piafs leven met Marion Cotillard in de hoofdrol, bracht het lied en zijn schepper opnieuw in het mondiale bewustzijn.
Grace Jones gaf in 1977 aan het lied een tweede leven, bewees dat de melodie bestand is tegen radicale herinterpretatie, en maakte er tegelijkertijd haar eigen artistieke verklaring van. Dat een nummer geschreven in het naoorlogse Parijs nog altijd klinkt in films, reclames en concertzalen over de hele wereld, is geen toeval. Het is bewijs dat de kern van ‘La Vie en rose’ iets raakt wat universeel is: het verlangen naar liefde, en de vreugde wanneer die gevonden wordt. Piaf wist dat. Ze hoefde het alleen maar te zingen.
