Woensdagavond streek The Hindley Street Country Club neer in de Effenaar in Eindhoven. Een band die op papier alles meebrengt, vakmanschap, ervaring, een uitgekiend repertoire en miljoenen online views. En toch bleef er na ruim twee uur muziek vooral iets hangen dat niet wilde ontbranden.
Negen muzikanten op het podium, strak spelend, zichtbaar genietend, overtuigd van hun kunnen. Daar lag het probleem niet. Het waren stuk voor stuk bekwame muzikanten, met twee sterke zangers en een zangeres die technisch moeiteloos overeind bleven. Maar techniek is geen spanning, en precies dat bleef uit.

Vanaf ‘Easy Lover’ van Philip Bailey en Phil Collins tot ‘I Who Have Nothing’ van Whitney Houston werd duidelijk dat ambitie en uitvoering elkaar niet altijd vonden. Nummers die drijven op bereik en emotionele intensiteit werden in toonsoort verlaagd, letterlijk een paar akkoorden lager gezet, waardoor de randen verdwenen en de songs hun spanning verloren.
Diezelfde benadering werkte door in ‘The Logical Song’ van Supertramp en ‘Baker Street’ van Gerry Rafferty. Alles klopte, maar niets raakte echt.
Halverwege leek het publiek wakker geschud door ‘Hold the Line’, ‘Africa’ en ‘Rosanna’ van Toto en ‘More Than a Feeling’ van Boston. Er werd luid meegezongen, armen gingen omhoog, de zaal deed wat een zaal doet wanneer herkenning het wint van interpretatie. Maar onder die collectieve beweging bleef iets wringen, alsof de muziek vooral herinnering bleef en nooit volledig present werd.

Daar kwam nog bij dat de band zich geregeld verloor in kleine uitweidingen, microsolo’s op momenten waar eenvoud meer had gezegd. Niet omdat het nodig was, maar omdat het kon.
In het tweede deel werden de contouren nog scherper. ‘Hotel California’ van Eagles, ‘How Deep Is Your Love?’ van Bee Gees en ‘All by Myself’ van Eric Carmen vroegen om controle en subtiliteit, maar kregen vooral beheersing zonder risico. Zelfs ‘Under Pressure’ van Queen en David Bowie bleef steken in een keurige weergave van iets dat ooit urgent was.
Het dieptepunt volgde met ‘Kyrie’ van Mr. Mister. Wat bij Richard Page spanning en lading draagt, werd hier vlak en zonder gewicht gebracht. Niet schokkend slecht, maar juist daardoor leeg.
En toch, en dat is onmiskenbaar, het publiek ging volledig mee. Elk refrein werd meegezongen, elk herkenbaar moment werd omarmd. Dat is misschien de kern van HSCC en van dit soort coverbands, het collectieve geheugen dat zwaarder weegt dan interpretatie.

De muziek zelf schreeuwde niet om een wapperend tentdoek. De band deed dat. Alles in hun presentatie leek te verwijzen naar een context die hier niet aanwezig was, naar festivals, dorpsfeesten, naar plekken waar ruwheid en chaos de muziek dragen. In de gecontroleerde zaal van de Effenaar bleef dat beeld hangen als iets wat niet werd ingelost.
De avond leidde daarmee tot een bredere conclusie. In een tijd waarin poppodia moeite hebben om het hoofd boven water te houden, zijn succesvolle coverbands een zekere manier om zalen te vullen. Het werkt, omdat het publiek komt voor herkenning en meezingen, niet voor risico.

Maar als dit de maatstaf is voor de beste coverband ter wereld, dan wordt ook duidelijk hoe groot het verschil blijft met originele artiesten. Coverbands en echte bands opereren simpelweg in een andere werkelijkheid. En misschien is het tijd om te stoppen met doen alsof ze uitwisselbaar zijn.
Foto’s (c) Jan Vranken
