De band groovde al toen Salif Keita aan de arm van zijn zoon het podium van het Parkstad Limburg Theater in Heerlen op kwam. Hij ging zitten achter zijn microfoon, wachtte een tel, en opende zijn mond. Door de zaal trok een hoorbaar “wow”. De stem die Mali in de jaren tachtig op de wereldkaart zette, en die de wereldmuziek sindsdien niet meer heeft losgelaten, was er nog. Onverkort. Zaterdagavond 25 april stond de 76-jarige Keita met zijn negenkoppige Electric Band in het Parkstad Limburg Theater, en wie verwachtte dat een gemarkeerde ‘Legend Tour’ bij voorbaat de toon zou zetten van een afscheid, kreeg het tegendeel te horen.

Keita kondigde in 2018 met ‘Un Autre Blanc’ aan dat het zijn laatste plaat zou zijn. In 2025 volgde ‘So Kono’, solo akoestisch opgenomen in een hotelkamer in Kyoto, en daarna werd het stiller. Tot deze tour. Het albinisme dat zijn leven en zijn muziek heeft getekend, vraagt op deze leeftijd zijn tol, vandaar de begeleiding tot aan de stoel, maar zodra het eerste woord uit de microfoon kwam, was daar niets meer van te merken. De Keita die in Heerlen ‘Mama’ opende, het nummer dat hij voor het huwelijk van zijn dochter schreef, klonk zoals hij in 1999 op het gelijknamige album klonk. Misschien iets warmer, iets minder zoekend.

De Electric Band is gemaakt om te laten dansen. Muzikaal leider en gitarist Guimba Tamba bewoog op een lichte Fender Jaguar door blues, Mande-funk en stadion-rock zonder te schuiven in zijn houding. Waar Keita met handgebaren stuurde, dirigeerde Tamba met een hoofdknik, en in ‘Yamore’ verraste hij met een rockende solo die het nummer een onverwachte schwung gaf. ‘Yamore’ is sowieso een ander beest geworden sinds Cesária Évora in 2011 overleed: het duet werd nu een gesprek met een afwezige. Dat backing-vocaliste Aïcha Mariko op die plek de Évora-rol overnam, en het werkte, zegt iets over de zorgvuldigheid waarmee deze band is samengesteld. Mariko en Fatoumata Soubeiga functioneerden als duo strak en zonder show, maar namen in ‘Tekere’ en ‘Africa’ het publiek over wanneer ze moesten aanzwepen, Mande-zang in zijn zuiverste vorm, geworteld in een traditie waarvan ze elke nuance kennen.

Harouna Samaké op kamale ngoni, de jonge-mannen-harp uit het zuiden van Mali, speelde zijn instrument op zijn rug en op zijn hoofd zonder ooit een noot te missen. Showman zonder gimmick, want het ritme bleef. Seydou Kouyaté, achter een keytar, alleen al die keuze in 2026 een statement, ranselde het instrument met een vanzelfsprekendheid waarvan je zelden hoorde dat iemand er zijn hele leven naar had verlangd. Wat hij na afloop bevestigde: hij had altijd een keytar willen hebben. Het was te horen. De ritmesectie, Mohamed Kouyaté op bas, Moïse Sagara op drums, Daouda Koné op djembé en conga’s, stond zo vast op elkaar gespeeld dat de groove vanaf het tweede nummer onbedwingbaar werd. Abou Cissé bediende de MPC. Negen mensen op het podium, geen overschot.

Halverwege het concert kwam het nieuws. ‘Nous Sommes Réveillés’, onuitgebracht, nog niet eerder live gehoord, een wereldpremière. De titel is Frans, niet Bambara: ‘Wij zijn wakker geworden’. Keita kiest die taal alleen wanneer hij politiek wil zijn, van ‘Nou Pas Bouger’ in 1989 tot ‘La Différence’ in 2010. Het nummer markeert het begin van een nieuw album, waar deze Electric Band binnenkort de opnamen voor begint. Wie in 2018 het slot vermoedde, was acht jaar later nog niet aan de beurt . Dit was geen afscheidstour. Dit was een doorstart. Keita sprak spaarzaam tussen de nummers. Hij liet de muziek het werk doen, en de muziek deed steeds dwingender werk. Op zijn stoel dirigeerde hij, knikte naar Tamba, naar Mariko, naar Sagara achter de drums. De liefde, of beter het respect, tussen de oude man en zijn jonge band was in elk gebaar voelbaar. ‘Tonton’, ‘Laban’, ‘Papa’, het persoonlijke kader van de set, vader en moeder als bookends, en toen kantelde de avond richting de slotreeks.
‘Africa’ kreeg op deze zaterdag een gewicht dat niemand op deze tour had voorzien. Diezelfde ochtend hadden gecoördineerde aanvallen van JNIM-strijders en Tuareg-rebellen Bamako, Kati, Gao, Kidal, Sévaré en Mopti getroffen, en was de Malinese minister van Defensie Sadio Camara om het leven gekomen. De band had de berichten backstage binnengekregen. De zorgen waren groot. Toch stonden ze er, en speelden ze ‘Africa’ alsof er niets aan de hand was, alsof juist het tegendeel, alsof het nummer dáárom gespeeld moest worden. Wie de geschiedenis van Salif Keita kent, weet dat hij niet onder dwang naar Frankrijk ging in de jaren tachtig en niet onder dwang naar Bamako terugkeerde in 2002, en dat ‘Africa’ nooit een toeristisch nummer is geweest. Op deze avond, in Heerlen, was het iets anders dan gewoonlijk. Het was een statement.

‘Tekere’ opende daarna de zaal. En toen ‘Madan’. In ‘Madan’ stond het publiek aan het einde op het podium. Malinezen, Limburgers, Belgen, en wie zich er verder maar tussen wist te dringen, dansten samen met de band in een lange jam tot Keita opstond, lachte, en het slot inzette. Salif Keita laat de wereld dansen, dat is wat hij doet, dat is wat hij veertig jaar lang heeft gedaan, en op deze zaterdag in Heerlen liet hij zien dat hij dat blijft doen. Eén nummer werd gemist door wie ‘Mandjou’ was komen halen, een klassieker uit de vroege jaren die niet op de setlist stond. Dat was de enige kanttekening. Anderhalf uur, geen toegift, geen overbodige noot.
Dat hij 76 was en met deze band aan een nieuw album begon, was het werkelijke verhaal van deze avond. Dat hij dat deed op een dag waarop zijn land in brand stond, het andere.
Disclosure: Jan Vranken werkt naast zijn werk voor Maxazine ook voor One World Records, het label van Salif Keita. De recensie is echter zo objectief als mogelijk geschreven.
Foto’s (c) Jan Vranken
