De Ziggo Dome was vrijdagavond ingericht met een sobere maar sfeervolle aankleding die goed aansloot bij het karakter van de muziek van Eric Clapton. Het decor bestond uit warm verlichte hanglampen die boven het podium een intieme sfeer creëerden, terwijl op de achtergrond schermen livebeelden van de band toonden tegen een nachtelijke visuele setting met passende projecties. Het geheel gaf het optreden een rustige, bijna clubachtige uitstraling binnen een grote zaal.
De avond draaide om muziek zonder veel opsmuk of uitgebreide verhalen. Clapton, die inmiddels de leeftijd heeft bereikt waarop veel artiesten al lang gestopt zijn met touren, koos opnieuw voor een benadering waarin het spelen zelf centraal stond. Zijn lange carrière als gitarist en songwriter, met wortels in de Britse bluesrock en zijn werk met onder meer Cream, werd hoorbaar in de manier waarop de set was opgebouwd.
Het voorprogramma kwam van Jett Rebel, die met zijn band een energieke set neerzette. De uitvoering was fel en direct, met een duidelijke speelsheid die een scherp contrast vormde met wat later op de avond zou volgen. In relatief korte tijd werd een hoge intensiteit bereikt, die in de rest van de avond minder aanwezig was.
Clapton opende elektrisch met ‘Badge’, afkomstig van het album ‘Goodbye’ uit zijn periode met Cream. Daarna volgden ‘Key to the Highway’ en ‘I’m Your Hoochie Coochie Man’. Met ‘If I Don’t Be There by Morning’, van het album ‘There’s One in Every Crowd’, haalde hij een nummer van langere tijd geleden weer terug in de setlist. ‘I Shot the Sheriff’, oorspronkelijk van The Wailers, sloot dit eerste deel af.
In dit vroege deel van de show viel op dat het publiek niet overal even geconcentreerd luisterde. Terwijl de band strak speelde, waren er op de vloer momenten waarop gesprekken duidelijk hoorbaar bleven tijdens de nummers, wat de beleving op sommige plekken negatief beïnvloedde, alsof men niet doorhad dat Slowhand al op het podium stond. De extreem onwaardige behandeling van muziek en artiesten is tegenwoordig gewoonweg een belediging te horen en men mag zich afvragen of zo’n publiek het eigenlijk wel waard is om voor op te treden.
De overgang naar de akoestische set bracht een andere sfeer. De band ging af en het podium werd in gereedheid gebracht voor een akoestische setting. Het had iets weerslag op het publiek dat in deze set wat meer aandacht had voor de wereldster. De inmiddels 81-jarige Clapton begon alleen met ‘Kind Hearted Woman Blues’ van Robert Johnson. Daarna kwam de band weer terug en wisselde bassist Nathan East zijn elektrische bas voor een contrabas, wat het geluid zachter en warmer maakte. ‘Nobody Knows You When You’re Down and Out’, ‘Back Home’ en ‘The Call’ volgden in een ingetogener tempo.
Pas na ‘Nobody Knows You When You’re Down and Out’ sprak Clapton het publiek kort toe. Het bleef bij twee korte zinnen. Verder liet hij de muziek het werk doen. ‘Layla’, oorspronkelijk van Claptons eigen Derek and the Dominos, uit 1970, kreeg een akoestische uitvoering die duidelijk herkenbaar bleef in opzet, gevolgd door het emotionele ‘Tears in Heaven’. Dat nummer schreef hij voor zijn overleden zoontje, wat in de zaal een merkbaar stil moment veroorzaakte en bij veel aanwezigen zichtbaar binnenkwam.
De tweede elektrische set bracht weer meer volume en ritme met ‘Tearing Us Apart’ en ‘Old Love’. Clapton speelde gecontroleerd en terughoudend, waarbij zijn ervaring als gitarist duidelijk de basis vormde van de uitvoering. Met ‘Cross Road Blues’ en ‘Little Queen of Spades’, beide geworteld in het werk van Robert Johnson, keerde hij terug naar zijn bluesbasis.
Ook in dit deel bleef de betrokkenheid in de zaal wisselend. Naast aandachtige luisteraars waren er opnieuw momenten waarop gesprekken door de muziek heen liepen, vooral in rustigere passages. Met ‘Cocaine’ uit 1977, geschreven door J.J. Cale, werd het reguliere programma afgesloten, waarbij het publiek eindelijk uit volle borst meezong. Dit was voor het eerst gedurende de avond, en dat zegt genoeg.
De toegift, (had het publiek het wel verdiend, of was het een voorbeeld dat een toegift niet per se meer verplicht op de setlist zou moeten staan?),bestond uit ‘Before You Accuse Me’ van Bo Diddley, waarna de band een buiging maakte en afging. Alleen East stal daarbij nog even de show door met zijn gsm het Amsterdamse publiek nog even goed op de camera te zetten, maar dat was dan ook alles.
Het optreden liet een goed gespeelde set zien, gedragen door ervaring en vakmanschap, in een setting die visueel zorgvuldig was vormgegeven en die de muziek ondersteuning bood zonder nadrukkelijk op de voorgrond te treden. Om nu te zeggen dat Clapton een CD’tje afspeelde is wat overdreven, daarvoor was de avond te veel doorspekt met schitterende solo’s; maar wie het publiek in de gaten hield, zag helaas weinig euforie of gepast respect voor de legende. En dat terwijl het wel eens de laatste keer zou hebben kunnen zijn dat de Britse Blues-gigant ons land heeft aangedaan. Respect voor Clapton, voor hem wel…
