Stel je een dansvloer voor aan het einde van de jaren tachtig. De bas rolt, een koebel tikt het ritme uit, een bonkende blazerssectie stuurt de zaal omhoog, en ineens begint iedereen op het refrein de armen te zwaaien en te stampen, alsof er een reuzenhagedis door de zaal loopt. Het ziet er onschuldig uit, bijna kinderlijk. Maar wie goed luistert, hoort dat dit feestje van ver komt en dat er onder de ritmesectie iets heel anders rommelt.
‘Walk the Dinosaur’ is zo’n nummer dat meer is dan het lijkt. Het werd een wereldwijde hit, een televisiefavoriet, een stuk vaste muziek in pretparken en kindervideo’s, en het blijft tot op de dag van vandaag een garantie voor een volle dansvloer. Toch was de groep erachter geen doorsnee hitmachine. Het was een los samenwerkingsverband van eigenzinnige muzikanten uit een autostad, die liever met onverwachte gasten en absurde teksten speelden dan de gebaande paden te volgen. Dit is het verhaal van een grappig lied met een duister randje, en van de mensen die het maakten zonder ooit echt een popster te willen zijn.
Was (Not Was)
Het begint met twee vrienden in de voorstad Oak Park, vlak bij Detroit. David Weiss en Don Fagenson ontmoetten elkaar op school, tijdens de jaren waarin de stad klonk als de belangrijkste muziekfabriek ter wereld. Ze deelden een liefde voor soul, jazz, films en komedie, en ze groeiden uit tot twee zeer verschillende mannen met dezelfde honger. David ging als jazzcriticus aan de slag, Don speelde bas in de jazzscene van Detroit. Het duo schreef liedjes over de telefoon, over een afstand heen. Toen ze besloten een band te beginnen, kozen ze een artiestennaam die ze allebei deelden: allebei werden ze Was. De groepsnaam was een soort grap bovenop de grap, voortgekomen uit een verspreking van de kleine zoon van Don.
De eerste opname uit 1980 was een springerig dansnummer, ‘Wheel Me Out’, dat verscheen op het avontuurlijke Ze Records in New York, een label dat bekendstond om slimme, rare en prikkelende dansmuziek. Het was de aanzet voor een muzikaal kinderdagverblijf waar alles mocht. Op de eerste albums mengden ze rock, disco, jazz en gedichten van de beatgeneratie, met scherpe politieke satire en een enorme dosis humor. Het gezicht van de groep werd gevormd door twee ervaren soulzangers, Sweet Pea Atkinson en Sir Harry Bowens, die zonder aarzelen van een ballade naar een absurde sketch gleden. In de band speelden bovendien gitarist Randy Jacobs en trompettist Marcus Belgrave mee, en soms kwam er een gast uit de rockwereld bij, zoals Wayne Kramer van MC5.
Het tweede album, uit 1983, werd een feest van gastoptredens. Ozzy Osbourne rapte over elektronische beats, Mitch Ryder zong een rockabillynummer met een technoglans en de zanger Mel Tormé nam een bijzondere ballade op. De groep had een naam gemaakt als een kunstzinnig kwartet van onvoorspelbare keuzes. Maar commercieel liep het niet zoals gehoopt. Het platenlabel wist niet goed raad met zo’n kameleon. Een geschil met de maatschappij, een contractwissel en jaren van losse projecten volgden. Pas in 1987 kwam er weer een nieuwe plaat, en daarmee de doorbraak die bijna niemand nog verwachtte.
Walk the Dinosaur
Het nummer is geschreven door David Was, Don Was en Randy Jacobs, en geproduceerd door David en Don Was zelf. Het verscheen in 1987 en klinkt als een strakke funkplaat: een stuwende bas, scherpe blazers en een koebel die er als een metronoom doorheen tikt. De zang is van Sweet Pea Atkinson, die het geheel met een warme, ruwe soulstem optilt. Het refrein is een bevel dat zo eenvoudig is dat je het meteen meezingt.
Wat het lied bijzonder maakt, is de tegenstelling tussen verpakking en inhoud. Op het eerste gehoor lijkt het een dansgrap, een nummer dat je meebrult met je vrienden. Maar de tekst gaat over nucleaire ondergang, over de angst voor een wereldwijde ramp, een einde dat de mens net zo kan treffen als de dinosauriërs. Het was de tijd van de Koude Oorlog, waarin liedjes over atoomangst al een eigen genre vormden, van dreigende synthpop tot Europese protestsongs. Was (Not Was) koos een andere weg en maakte van de apocalyps een dansrage. Dat zorgde voor een eigenaardig effect: de luisteraar beweegt vrolijk mee met iets wat bij nader inzien behoorlijk onheilspellend is.
Het succes liep via een ongebruikelijke route. In het Verenigd Koninkrijk haalde het nummer eind 1987 de tiende plaats, de eerste top tien van de groep. In de Verenigde Staten duurde het tot 1989 voor het nummer doorbrak, geholpen door een videoclip die veel werd uitgezonden op MTV. Daarin dansen vier schaars geklede holbewoonsters in een prehistorische setting, terwijl een televisie in de stijl van The Flintstones fragmenten uit een tekenfilm met Daffy Duck en een dinosaurus vertoont. Tegen het einde dansen moderne mensen mee op het refrein. De clip maakte van het nummer een dans: mensen begonnen de bewegingen na te bootsen, alsof het een nieuwe versie van de twist was. In het voorjaar van 1989, twee jaar na de Britse hit, stond het nummer op de zevende plaats van de Amerikaanse Billboard Hot 100, de grootste hit van de band in hun thuisland.
Ook elders kwam het lied ver. In Canada bereikte het de zesde plaats, in Noorwegen eveneens, in Australië en Zwitserland de negende, in Nederland en Zuid-Afrika de tiende en in Ierland de elfde. In Frankrijk en West-Duitsland bleef het bij plaats negenenveertig en achtenveertig. Het is dus een echte wereldhit, al bleef de piek buiten Noord-Amerika overal net onder de allerhoogste regionen.
Vergeleken met andere muziek uit die tijd klinkt het verrassend uniek. Prince en Cameo hadden de funk eind jaren tachtig verfijnd en vertaald naar gladde, elektronische popsongs. De Beastie Boys en Tone Loc lieten zien dat humor en een knipoog prima konden samengaan met commerciële hiphop. Bobby McFerrin scoorde met een luchtig liedje dat bijna even onschuldig klonk. Het verschil is dat ‘Walk the Dinosaur’ klinkt als een liveband in een zweterige kelder, met echte blazers en een bandsound die niet uit een machine komt. Het is retro en modern tegelijk, en dat maakt het zo tijdloos. Het is geen revolutie, maar de sfeer van een bonte, ongedwongen feestavond is moeilijk te evenaren.
George Clinton
Een lied dat zo met funk en humor speelt, vraagt bijna om een bewerking door iemand die dat soort muziek op de kaart heeft gezet. In 1993 kwam die er, uit handen van George Clinton, de man achter Parliament en Funkadelic en de bedenker van onsterfelijke funkstukken als ‘Atomic Dog’. Zijn versie verscheen op de soundtrack van de film Super Mario Bros. en klinkt ook door in de aftiteling.
Het is een mooie cirkel. Clinton hoorde bij de muziek waarmee David en Don Was in de regio van Detroit opgroeiden. De groep telde bovendien een percussionist uit de kring rond Parliament en Funkadelic, wat de band tussen beide werelden nog steviger maakt. Clinton bracht het lied terug naar waar het eigenlijk altijd vandaan kwam: een kruising tussen dansvloer funk en cartoonachtige gekte. Zijn versie past bij zijn eigen reputatie van speelse, losgeslagen funk. Dat het nummer in een film over een computerspel belandde, past bij de plek die het lied al had gekregen: een vrolijke achtergrond voor een wereld vol fantasie.
What Up, Dog?
Het album waar het allemaal vandaan komt, verscheen in het voorjaar van 1988 en heet ‘What Up, Dog?’. De opnames liepen vanaf 1984 tot in 1988, een lange en rommelige periode die je terughoort in de verscheidenheid. Het is een plaat vol vreemde bochten. Er staan funknummers op, een ballade, ironische verhalen en satirische schetsen, en een stoet gastmuzikanten die alleen deze groep bij elkaar kon krijgen. Iggy Pop, Leonard Cohen, de zussen van The Roches en zangeres Syd Straw hebben een bijdrage geleverd, en er is zelfs een nummer met een schrijfcredit voor Elvis Costello. Ook gitarist Stevie Salas, bassist John Patitucci en Frank Sinatra Jr. zijn te horen.
Commercieel was het de hoogste klim van de band. Het album kwam in de Verenigde Staten in de top vijftig en leverde meerdere singles op die de hitlijsten in gingen. Naast de grote hit stonden daar ook ‘The Boy’s Gone Crazy’, een opnieuw uitgebrachte versie van ‘Out Come the Freaks’ en ‘Anything Can Happen’, dat op plaats vijfenzeventig in de Amerikaanse Hot 100 stopte. Drie noteringen in totaal in die lijst, waarvan er één naar de top tien klom, is geen slecht resultaat voor een groep die zichzelf nooit serieus nam.
Een bijzonder detail is de beeldtaal rond het album. De kunstenaar en animator Christoph Simon maakte korte, vreemde animatiefilmpjes bij een aantal nummers, die de absurde toon van de band perfect vertaalden. Ze passen bij de reputatie van de groep: muziek die grappig en verontrustend tegelijk kan zijn, en die zich nooit nette hokjes laat opleggen.
Spy in the House of Love
Naast de dinosaurus stond er op het album een heel andere single, die zelfs eerder verscheen. ‘Spy in the House of Love’ is trager, donkerder en meer een slow burner. Het draait om een dreigende, hypnotiserende baslijn en klinkt als de soundtrack van een nachtelijke thriller. In het Verenigd Koninkrijk bleef de eerste uitgave in 1987 steken op plaats eenenvijftig, maar de heruitgave een jaar later bereikte de eenentwintigste plaats. In de Verenigde Staten werd het nummer één op de danshitlijsten en haalde het de zestiende plaats op de Hot 100, een grote hit die het Amerikaanse succes van de dinosaurus voorafging.
Het is een van de weinige nummers van de band die men niet meteen met een knipoog beluistert, en dat is een interessante tegenhanger van het pretpark waarmee ze bekend werden. Ook anderen herkenden de kracht ervan: in 1997 bracht de Britse zanger Steve Winwood een nummer uit dat niet alleen de titel leende, maar ook de baslijn en andere elementen. Het toont aan dat de groep, juist op de momenten dat de lol even uit beeld was, meer te bieden had dan alleen een dansgrap.
Wat volgde op de grote doorbraak was vooral een geleidelijke uitdoving. Het album uit 1990 kon de hoge verwachtingen niet waarmaken, en de commerciële stroom droogde op. In 1992 toerde de groep met Dire Straits en scoorde ze nog een laatste grote hit in het Verenigd Koninkrijk met een opnieuw opgenomen versie van ‘Shake Your Head’, ditmaal met Ozzy Osbourne en actrice Kim Basinger. Het werd hun grootste Britse succes, een vierde plaats in de lijst. Daarna dreven de twee oprichters uit elkaar en bleef er een tijdlang weinig meer over dan een verzamelalbum.
Don Was veranderde ondertussen in een van de meest gevraagde producers ter wereld en werkte met artiesten als Bonnie Raitt en Bob Dylan, later ook als leider van het jazzlabel Blue Note. De band kwam in de jaren erna nog zo nu en dan terug, met een clubtournee in 2004 en een nieuw album, ‘Boo!’, in 2008. Zanger Sweet Pea Atkinson overleed in 2020 op vierenzeventigjarige leeftijd, het eind van een tijdperk waarin soul, humor en maatschappijkritiek elkaar vonden.
Het lied zelf ging ondertussen zijn eigen leven leiden. Het klinkt in de film The Flintstones uit 1994, in televisiespots voor de Disneyfilm Dinosaur, in een dinosauruswereld in een pretpark van Disney en in 2009 in een tekenfilmversie met Queen Latifah, met een aangepaste tekst voor een jong publiek. Het draait nog altijd op feesten, vaak zonder dat de mensen erbij beseffen waar het vandaan komt. Misschien is dat wel de mooiste erfenis: een eigenzinnig, bijna zelfspottend lied van een groep die nooit tot de grote sterren hoorde, maar die er wel in slaagde de hele wereld te laten dansen over het einde van de wereld.
