Zeven jaar. Zo lang liet Kelsey Lu haar publiek wachten op een opvolger van ‘Blood’, het debuutalbum dat in 2019 critici en liefhebbers van avant-garde soul en chamberpop versteld deed staan. Die stilte was geen luiheid. In de tussenliggende jaren componeerde Lu filmmuziek voor A24 en Netflix, werkte ze samen met artiesten als Solange, Jamie xx en Blood Orange, en bezette ze een residentie bij Blue Note Records in New York. Alles leek te bewegen, alleen niet in de richting van een nieuw eigen album. Nu is er dan toch ‘So Help Me God’, en de vraag die elk volgend project van een veelbelovend kunstenaar vergezelt, is onvermijdelijk: was het wachten de moeite waard? Het antwoord is ja, zij het met de nuances die een album van deze complexiteit verdient.
Lu werd groot in North Carolina, opgegroeid binnen een strenge Jehova’s Getuigenomgeving die ze op haar achttiende ontvluchtte. Muziek was de uitweg. Ze studeerde cello aan de universiteit, nam haar debuut-EP op in een kerk in Brooklyn, en groeide van daar uit tot een van de meest fascinerende stemmen in de alternatieve soulwereld. Dat biografische gewicht klinkt door op elk moment van ‘So Help Me God’, dat voor Lu een breuk is met het verleden in meerdere opzichten tegelijk: een relatie, een platenmaatschappij, een versie van zichzelf die ze achter wilde laten.
Het album opent met ‘Reaper’, bijna negen minuten lang, een ambitieus stuk dat de spankracht van Lu’s artistieke visie onmiddellijk blootlegt. Saxofonist Kamasi Washington en componist Kim Gordon zijn aanwezig als medewerkers, en de productie van Jack Antonoff en Yves Rothman omgeeft de nummers met een filmische helderheid die tegelijkertijd intiem en groot aanvoelt. ‘Portrait of a Lady on Fire’, vernoemd naar de gelijknamige film, is waarschijnlijk het emotioneel meest directe moment op het album: strijkers en gitaarplukken ondersteunen een stem die zoekt naar hoop die al lang is verdwenen. ‘Better Than That’, met Sampha, is lichter van toon maar niet minder precies: pianakkoorden, 808-drums in de tweede helft, Lu’s stem die speels omgaat met verwachting en verdriet tegelijk.
Niet elk nummer behaalt hetzelfde niveau. ‘American Sonnet’, dat een gedicht van Wanda Coleman verklankt, verliest zich in zijn eigen textuur, en de lange uitlopers van sommige composities vragen een geduld dat niet altijd wordt beloond. Maar ‘Cutting Off the Head of a Ghost’, waarmee het album sluit, maakt veel goed. Het is het helderste, ruimste moment op de plaat, en ook het meest beslissend: een artiest die eindelijk de hand reikt, niet terugblikt, en loslaat.
‘So Help Me God’ is een terugkeer die het gewicht van zeven jaar meedeelt en tegelijkertijd optilt. Kelsey Lu is een van de schaarse artiesten die klassieke vorming, avant-garde instincten en een diep persoonlijke thematiek in evenwicht weet te houden. Het album is niet zonder schuurplekken, maar juist die ruwheid geeft het zijn karakter. (8/10) (Dirty Hit)
