Fatoumata Diawara heeft met ‘Massa’ een schitterende popplaat gemaakt, en dat is precies waar het ongemak begint. Laten we beginnen met het oordeel dat de rest van dit stuk draagt: dit album moet je niet beoordelen als een wereldmuziekplaat. Wie dat wel doet, mist wat hier gebeurt. De grens is weg. ‘Massa’ is een popplaat, gemaakt volgens de wetten van de westerse popproductie, en het enige wat er nog ‘wereld’ aan is, is de stem van de vrouw die hem zingt en de taal waarin ze dat doet. Dat is geen verwijt. Dat is de eerste overwinning van deze plaat, en het is een grotere overwinning dan de meeste recensies zullen durven benoemen.
Fatoumata Diawara is op dit moment de grootste vrouwelijke ster die Mali aan de wereld heeft gegeven. Zangeres, gitariste, actrice, Grammy-genomineerd, de eerste zwarte vrouw met een eigen signatuurgitaar bij Gibson Epiphone. Ze speelde met Gorillaz, met Disclosure, met Herbie Hancock, met Lauryn Hill. Wie haar werk volgt sinds ‘Fatou’ (2011), heeft een artiest zien groeien van ingetogen Wassoulou-folk naar iets dat met elk album verder van de akoestische gitaar en dichter bij de wereldpop opschoof. Maar de sleutel tot ‘Massa’ ligt niet bij Diawara alleen. Hij ligt bij Matthieu Chedid, de Franse popgrootheid die zich -M- noemt, en bij een geschiedenis die twintig jaar terugloopt. Chedid raakte begin deze eeuw verslingerd aan Mali, via de blues van Ali Farka Touré en via Amadou & Mariam, die hem voor het eerst naar Bamako brachten. In 2015 richtte hij het collectief Lamomali op, naar ‘l’âme au Mali’, de ziel van Mali, met korameester Toumani Diabaté, diens zoon Sidiki, en Diawara als centrale stem. Twee albums, uitverkochte zalen, een franco-Malinese familie die ruim een decennium standhield. Diawara en -M- kennen elkaar door en door. Dit is geen toevallige studio-ontmoeting.
En dat is waarom ‘Massa’ een vreemde tweekoppigheid heeft. Op haar vorige plaat ‘London Ko’ (2023) was Damon Albarn de coproducent van de helft van de nummers, en -M- niet meer dan een gast op twee tracks. Albarn is een genie dat zijn hele leven uit wereldmuziek heeft geput om zijn eigen werk eclectischer te maken; hij bracht zijn poprockwortels naar Diawara, en zij behield haar eigen zwaartepunt. Op ‘Massa’ valt Albarn weg, schuift -M- door naar de volledige artistieke regie, en geeft Diawara zich volledig over. Het resultaat is de verste fusie die de wereldmuziek in jaren heeft voortgebracht. De vraag is wiens fusie het is.
Begin bij ‘Mogo’. Het grooved als een gek op een bijna Daft Punk-achtig funkriffje, waarin de geest van de onlangs overleden Amadou Bagayoko onmiskenbaar doorklinkt, maar laat geen misverstand bestaan: dit is popmuziek. De productie is glashelder, impeccable zouden de Fransen zeggen. Diawara blijft herkenbaar door de koorzang en het Bambara, maar de architectuur eronder is westers tot in elke kick. Het titelnummer ‘Massa’ bevestigt de toon: opnieuw die strakke, bijna Daft Punk-achtige benadering van dansbare pop, ditmaal met de herkenbare wah-wah-groove van de Fender Jaguar zoals we die van Amadou Bagayoko kenden. Het is veelzeggend dat juist Amadou de geest is die over deze plaat waart, en niet Toumani Diabaté. De korameester rond wie het hele Lamomali-project ooit was gebouwd, is op ‘Massa’ nergens te horen; geen enkele kora kleurt deze nummers. Wat overblijft, is de elektrische gitaargroove van de man die -M- ruim twintig jaar geleden voor het eerst naar Bamako bracht. Daarmee vertelt het instrumentarium het hele verhaal: dit is geen koragedragen wereldmuziek meer, maar Jaguar-funk met een Bambara-stem. ‘Tcheba’ is een ander hoogtepunt en misschien het zuiverste bewijs van de stelling. Een strakke bas-en-drumsbasis die over de hele plaat doorklinkt, een licht syntharrangement, fingerclicks, een akoestische gitaar die de etherische zang van Diawara draagt. Nergens wordt dit nummer ‘world’. Dit is onomwonden op westerse leest geschoeide popmuziek, en het is fantastisch.
Het meest is Diawara ‘Farana’. Hier hoor je de Maliblues in de jengelende elektrische gitaar, hier voel je Amadou opnieuw, voel je Ali Farka Touré, de hitte van de Sahara boven het water van de Niger. En tóch valt ook dit nummer gewoon binnen het westerse popidioom. Dat is het verbluffende van ‘Massa’: zelfs op het moment dat de plaat het diepst in de Malinese grond wortelt, blijft de vorm pop. Dat Diawara een uitstekende zangeres is, wisten we al. Dat ze haar stem kan laten gelden binnen een productie die haar bijna geen ruimte voor exotiek laat, is hier het echte huzarenstuk.
De vraag die zich opwerpt is: is dit nog wereldmuziek, of een neokoloniale knieval?
Hier moet de criticus kleur bekennen, en de verleiding om de spanning open te laten is groot. Toch is het antwoord duidelijker dan het lijkt. Het verwijt ligt voor de hand: een Malinese zangeres die door een Franse popproducent wordt gladgestreken tot iets dat past op een Europees festivalpodium en in een Spotify-playlist. Een knieval voor de markt. Maar dat verwijt klopt niet, en het is belangrijk om te zeggen waaróm het niet klopt. Een knieval zou betekenen dat Diawara haar Wassoulou-wortels had verwaterd om toegankelijker te worden. Dat doet ze niet. Ze laat juist het meest oncompromitterende deel van zichzelf onaangetast, haar stem en haar taal, en laat alles eromheen Westers worden. Het label ‘wereldmuziek’ bestaat enkel vanuit een westers perspectief: het is alles wat niet wij zijn. Diawara weigert die categorie simpelweg. Ze maakt een popplaat in het Bambara, en daarmee smokkelt ze haar taal de popcanon binnen in plaats van zich eruit te laten houden. Vergelijk het met Tinariwen, dat op ‘Hoggar’ precies de tegenovergestelde weg koos: terug naar Tamanrasset, dieper de eigen traditie in, weg van het festivalcircuit. Twee ontsnappingsroutes uit dezelfde gevangenis. Tinariwen ontkomt door zich terug te trekken in de essentie; Diawara door de categorie op te heffen. Beide zijn legitiem. Dit is geen kniebuiging maar een keuze, en alles wijst erop dat het Diawara’s eigen keuze is.
En toch doet ‘Massa’ pijn, op een plek waar de lof het niet kan wegnemen.
Want de beweging is eenrichtingsverkeer. Diawara is naar ons toe gekomen. -M- beweegt niet met haar mee. Hij brengt een eerbetoon aan Amadou Bagayoko in de gitaargroove, hij strooit zijn liefde voor Mali over de plaat uit, maar hij maakt geen Malinese pop. Hij maakt M-muziek met een Malinese stem erop. Dit is niet de wederzijdse bevruchting die we hoorden toen The Cavemen en Pa Salieu Londen en Lagos in een synergetisch geheel lieten samenvallen. Hier loopt het verkeer maar één kant op. De grootste vrouwelijke ster van Mali gaat de hoek om en maakt een popplaat in het Bambara, en de Franse producent aan de andere kant van de tafel doet geen stap terug. Misschien verandert dat oordeel als -M- volgend jaar een poging doet om echte Malinese pop te maken, om de afstand zelf af te leggen. Maar weinig wijst erop dat dat gaat gebeuren. En de wrangste voetnoot van allemaal: het publiek dat deze plaat zal omarmen zit in Europa. In Mali heeft men op dit moment andere zorgen dan een Spotify-abonnement of een cd. De fusie waar ‘Massa’ naar reikt, is een ontmoeting waar maar één partij voor reist.
‘Massa’ is een prachtige, glasheldere, virtuoze popplaat van een van de beste zangeressen ter wereld, en het is tegelijk een document van een onevenwicht dat de muziekgeschiedenis al een eeuw kent. Diawara heeft de grens tussen wereldmuziek en mainstreampop uitgewist, en dat is een prestatie. Maar ze heeft hem in haar eentje overgestoken. Daar zit de schoonheid, en daar zit het verlies. Dit is de verste fusie in jaren, en juist daarom de eenzaamste. (8/10) (Nø Førmat!)
