Supersister speelde op donderdagavond een concert in de kleine zaal van poppodium de Nieuwe Nor in Heerlen, en dat was om te beginnen een kleine schande. Dat een trio met Robert Jan Stips, Rinus Gerritsen en Leon Klaasse in Limburg wordt afgeserveerd in het zaaltje achter het café, zegt meer over het Nederlandse concertpubliek dan over de band. Zou Supersister haar eigen repertoire in het Duits coveren en zichzelf omdopen tot Superschwester, dan zat de grote zaal vol. Nu kwamen er zo’n tweehonderd serieuze muziekliefhebbers op af, en die hadden het geluk aan hun kant.
Op dat podium stond, laten we het nog maar eens vaststellen, een soort geconcentreerde Mount Rushmore van de Nederlandse popgeschiedenis. Stips, toetsenist bij Supersister sinds 1968, daarna bij Golden Earring, de Nits, Sweet d’Buster en nog een paar andere verdiensten, zat gisteren nog in de studio met de Nits aan materiaal voor een nieuw album. Een geprojecteerde releasedatum is er nog niet, de band werkt rustig door. Naast hem Rinus Gerritsen, eminence grise en basmoloch van de inmiddels opgeheven Golden Earring, die zich in zijn latere jaren opnieuw heeft uitgevonden als volbloed progbassist. Op drums Leon Klaasse, de menselijke metronoom die we kennen van Powerplay en van de minutieuze Beatles-recreaties van The Analogues, waarin hij als Maxwell nacht na nacht het aambeeld bediende. Drie muzikanten, drie carrières, en één setlist die ze spelen alsof ze er samen mee zijn opgegroeid.

Supersister opende met ‘Mexico’, dat stuk van ‘Present for Nancy’ waarin Stips’ orgel en het ritme om elkaar heen draaien als twee fretten die elkaar niet helemaal vertrouwen. Daarna ‘Never in a 100.000.000 Dreams’ en ‘Memories Are New’, en vervolgens de route dwars door het hele oeuvre. Een doorsnee van ’11/8′ naar de excerpt uit ‘Pudding en Gisteren’, van ‘Higher’ naar ‘Out of the Darkness’ en ‘Into the Moving Light’ van het nieuwste studioalbum ‘Nancy Never Knew’. Het nieuwe werk hield zich moeiteloos staande naast de klassiekers, iets wat bij de meeste comebackbands niet de standaard is. De 60’s Medley bevatte weer stukken die nooit officieel zijn uitgebracht, en die bleven ook live het meest intrigerende onderdeel van de avond, zeker voor wie dacht Supersister inmiddels van binnen en buiten te kennen. ‘She Was Naked’, de hit uit 1970 die het allemaal in gang zette, kwam laat in de set en klonk zo onbekommerd als bedoeld. ‘A Girl Named You’ idem. En Gerritsens bassolo, dat op bluesriffs gebaseerde klanklandschap waarmee hij zichzelf elke avond opnieuw uitvindt, had dubbel zo lang mogen duren. Als toegift kwam ‘Radio’, een vriendelijke hand op de schouder.
Een trio als Supersister kan deze muziek alleen natuurgetrouw brengen met behulp van de modernste techniek. De rijke toetsenpartijen, de interlocking ritmes, de Zappa-achtige ensemble-figuren: dat vraagt om clicktracks en vooraf geprogrammeerde synths, anders klopt de geometrie simpelweg niet. De prijs daarvoor is dat de setlist elke avond vastligt en er weinig ruimte is om ad hoc af te wijken. Wat daartussen gebeurt, blijft wel elke avond anders. Stips praatte het concert aan elkaar met anekdotes die soms de muziek bijna overschaduwden: over de vroege dagen in Den Haag, over Sacha van Geest, over hoe het is om in 2026 nog steeds te spelen wat je als twintiger verzon. Hij deed dat zonder sentiment, met die droge Haagse lijdzaamheid die hem zo kenmerkt. Je merkte dat dit drietal ook buiten het podium graag bij elkaar is, en die chemie is op een avond als deze het verschil tussen een concert en een herhalingsoefening.

Dat Supersister hier in de bijzaal stond is en blijft onbegrijpelijk, maar voor wie er was: dit is op dit moment een van de meest ongerepte live-acts die Nederland te bieden heeft. De Canterbury-scene ligt in de ijskast in het Verenigd Koninkrijk, en zonder enige drukte werken Stips, Gerritsen en Klaasse hier aan de Nederlandse voetnoot bij dat hoofdstuk. Een voetnoot die stilaan langer wordt dan het hoofdstuk zelf
Foto’s (c) Jan Vranken
