Er zijn platen die je puur om de muziek beluistert, en er zijn platen die je meenemen op een reis door een verhaal dat te lang onverteld is gebleven. Het nieuwe album van jazzdrummer, componist en zelfverklaard ‘artivist’ Jonathan Whitney behoort duidelijk tot die tweede categorie. Whitney, geboren in Newark en werkzaam in Wilmington, bouwde zijn carrière op als jazzdrummer, maar ontpopte zich de afgelopen jaren steeds meer tot een componist die geschiedenis en muziek met elkaar verweeft.
‘Cooch’s Bridge: The African-American Presence’ is het tweede deel van een reeks van vier composities, geïnspireerd op de historische plek van dezelfde naam in Delaware, waar zich in 1777 de enige slag van de staat tijdens de Amerikaanse Revolutie afspeelde. Waar de meeste geschiedschrijving over die plek tot nu toe door de familie Cooch of andere blanke bewoners is opgetekend, koos Whitney ervoor om de tot slaaf gemaakte mensen, vrijgemaakten en hun nakomelingen een stem te geven die ze nooit eerder hebben gekregen.
Het album opent met ‘Aiye’, dat de toon zet voor een reeks composities die telkens draaien om een specifiek persoon, gemeenschap of gebeurtenis. ‘Who Was Benjamin Harris Martin?’ vertelt het verhaal van een tot slaaf gemaakte soldaat uit North Carolina die dapper vocht in de slag bij Cooch’s Bridge en veertig jaar later alsnog zijn vrijheid kreeg van zijn eigenaar. De martiale melodieën in dit nummer voelen als een overwinning die veel te lang op zich heeft laten wachten. ‘Ardessia’ gaat een heel andere kant op, met de operastem van Makeda Hampton in een intiem stuk voor stem en piano, opgedragen aan een geliefde verzorgster van het Cooch landgoed die tot op de dag van vandaag door de familie wordt herinnerd.
Het absolute hoogtepunt van de plaat is ‘Say Their Names’, waarin het koor van de Wilmingtonse Episcopale kerk van Saints Andrew and Matthew de namen van de bekende tot slaaf gemaakte mensen van het landgoed scandeert. Het is een moment dat je even stil laat vallen, precies zoals Whitney het bedoeld heeft. Hij benadrukt zelf dat het niet gaat om trauma alleen, maar om mensen die moeders, vaders, geliefden, zangers en ambachtslieden waren.
Muzikaal citeert Whitney nadrukkelijk Wynton Marsalis’ met de Pulitzerprijs bekroonde oratorium ‘Blood on the Fields’ als invloed, en dat is hoorbaar in de manier waarop jazzstructuren, R&B, Amerikaanse volksmuziek, Afro-diasporische ritmes en liturgische zang moeiteloos in elkaar overvloeien. Het resultaat is een werk dat zowel intellectueel als emotioneel raakt, zonder ooit belerend te worden.
Dit is geen album dat je even tussendoor opzet. Het vraagt aandacht, tijd en bereidheid om mee te gaan in een verhaal dat pijnlijk, maar ook hoopvol is. Whitney slaagt erin om geschiedenis tot leven te wekken op een manier die zowel respectvol als muzikaal overtuigend is, en dat maakt dit tot een van de meest betekenisvolle platen die dit jaar zijn verschenen. (8/10) (Flex Records)
