Body Count maakte van 013 in Tilburg zaterdagavond een rauwe combinatie van metal, rap, maatschappijkritiek en zwarte humor. Ice-T had met zijn band weinig tijd nodig om de zaal op gang te krijgen. Met een snoeiharde opening, een reeks bekende nummers en een opvallend optreden van een tienjarige fan werd het concert voortdurend afgewisseld met momenten waarop de frontman rechtstreeks de confrontatie met het publiek zocht.

De bandleden verschenen een voor een op het podium, waarna Ice-T als laatste zijn opwachting maakte. De opening werd gevormd door ‘Body Count’s in the House’, waarbij de titel direct als chant door de zaal ging. Daarna volgde de Slayer-cover ‘Raining Blood / Postmortem’, waarmee Body Count meteen liet horen hoe dicht de band live tegen thrashmetal en hardcore aan kon kruipen. Het nummer werd opgedragen aan een pas overleden vriend van een andere metal band.

Na ‘Point the Finger’ en ‘There Goes the Neighborhood’ werd de toon opnieuw grimmiger met ‘The Purge’. Het nummer, afkomstig van het album ‘Merciless’, was eerder uitgebracht met Cannibal Corpse-zanger George ‘Corpsegrinder’ Fisher. Een van de bandleden verscheen daarbij met een horrormasker en de uitvoering kreeg een duidelijke deathmetalrand.

Tussen de nummers door bleef Ice-T contact zoeken met de zaal. Hij vroeg wie eerder een concert van Body Count had bezocht, waarbij onder meer het optreden in Paradiso ter sprake kwam. Ook stond hij stil bij een heavy metalartiest die eerder die week was overleden.

Met ‘Manslaughter’ verlegde Ice-T de aandacht naar wat hij omschreef als een wereldwijd probleem. Nadat hij vroeg of er vrouwen in de zaal waren, volgde het nummer dat volgens hem bij dat onderwerp paste. Daarna richtte hij zijn pijlen op de Amerikaanse politiek. Donald Trump moest het ontgelden vanwege het volgens Ice-T overtreden van wetten, waarna ‘No Lives Matter’ werd ingezet. Het nummer, waarin racisme en maatschappelijke ongelijkheid centraal stonden, kreeg in Tilburg een directe vertaling naar de actualiteit.

Lil Ice zorgde ondertussen voor wat fijne interactie met het publiek. Tijdens ‘No Lives Matter’ sprong hij de fotopit in om dichter bij het publiek te komen. Bij ‘Psychopath’ koos Ice-T vervolgens voor een andere vorm van theater en zong hij met een panty over zijn hoofd. Maar ook ‘Drive By’ werd niet rustig ingezet. Ice-T vroeg zich af waarom hij bloedde en gebruikte dat als aanleiding om de zaal om een fucking moshpit te vragen. Het publiek ging daarin mee. Tijdens ‘Necessary Evil’ zocht Lil Ice opnieuw de interactie op en reed hij tegen de microfoonstandaard aan.

De band maakte vervolgens een uitstapje naar punk met ‘Disorder’, de bekende cover van The Exploited. Ice-T vatte de muzikale combinatie zelf samen door zich af te vragen wat je kreeg als je The Exploited, Slayer en Body Count bij elkaar voegde. Het antwoord volgde in de vorm van de punkrockklassieker.
Toch was het niet allemaal kei hard en empathieloos wat de klok sloeg. Ice-T toonde zijn vriendelijke kant toen een jongen van ongeveer tien jaar oud uit de zaal werd gehaald, Jimmy. Jimmy kreeg een Body Count-shirt aan en van Ice-T een eigen artiestennaam: Ice Motherfucking Jimmy. Toen het publiek vervolgens ‘Jimmy, Jimmy’ begon te scanderen, maakte Ice-T daar meteen een einde aan: “Shut up, this is my show, I’m talking to Jimmy.” Hij vertelde over zijn eigen tienjarige dochter, die volgens hem de hele dag shit praatte, waarna ‘Talk Shit, Get Shot’ werd ingezet. Jimmy mocht het nummer vervolgens samen met Ice-T op het podium meezingen en kreeg het publiek compleet op zijn hand.

Het publiek kreeg tijdens ‘Talk Shit, Get Shot’ ook de opdracht om een wall of death te maken. Die bleef relatief klein, maar zorgde wel voor de nodige beweging in de zaal. Daarna ging Body Count door met ‘Cop Killer’, het nummer waarmee de band begin jaren negentig wereldwijd veel aandacht kreeg en dat nog altijd een vast onderdeel van het liveoptreden vormde.
Na ‘Cop Killer’ ontstond er nog een kort komisch moment. Ice-T vroeg gitarist Ernie C hoe de zaal heette. Het antwoord was kort en weinig geïnteresseerd: “I don’t fucking care.”, en onder een instrumentaal outro verliet een deel van de band het podium. Daarmee leek het concert voorbij, maar Ice-T had daar zijn eigen oplossing voor. Hij legde uit dat bands normaal gesproken van het podium gingen, waarna het publiek om een toegift riep en de band vervolgens terugkwam. Zelf was hij daar met zijn 68 jaar naar eigen zeggen te oud voor. Daarom had hij de virtual encore bedacht. Het licht ging uit, het publiek riep de band terug en vervolgens ging het licht weer aan, zonder dat Ice-T van het podium was vertrokken

De virtuele toegift bestond uit ‘Born Dead’, de titeltrack van het tweede Body Count-album uit 1994. Ice-T paste tijdens het nummer de tekst aan met de toevoeging “Born in Holland”, waarmee hij het Tilburgse publiek rechtstreeks bij het optreden betrok. Het nummer viel zo in de smaak dat je je af kon vragen of de band het nummer niet beter eerder in de set had kunnen brengen.
Als afsluiting volgde ‘This Is Why We Ride’. Ice-T droeg het nummer aan iedereen die ooit iemand had verloren aan drugs of geweld. Een sterke tekst met een even sterke boodschap. Daarmee eindigde het concert na een avond waarin Body Count de muziek voortdurend combineerde met maatschappelijke thema’s, humor en directe interactie met het publiek.

Foto’s (c) Marcel van Oevelen
