‘Ça Plane Pour Moi’, de punkklassieker uit 1977 die op naam staat van de Belgische artiest Plastic Bertrand, is met acht miljoen verkochte singles een van de bestverkochte Franstalige nummers aller tijden. Het is ook het middelpunt van wat wellicht de langstlopende en meest bizarre fraudezaak uit de Europese popgeschiedenis mag worden genoemd: een halve eeuw van leugens, rechtszaken, taalkundige expertises en een geheim dat de componist meenam in zijn graf.
In de zomer van 1977 schreef de Waalse producer en componist Lou Deprijck, geboren als Francis Jean Deprijck in het Henegouwse Lessen, samen met tekstschrijver Yvan Lacomblez de muziek voor wat twee nummers zouden worden. De backingtrack werd opgenomen in Studio Morgan in Brussel door sessiemuzikanten Mike Butcher op gitaar, John Valcke op bas en Bob Dartsch op drums, onder leiding van geluidstechnicus Phil Delire. Over die ene instrumentale opname werden twee compleet verschillende nummers gebouwd: een Franstalige versie met absurdistische teksten, en een Engelstalige versie met expliciet homoseksuele inhoud. De Franstalige versie werd ‘Ça Plane Pour Moi’. De Engelstalige versie, ‘Jet Boy, Jet Girl’, ging naar de Britse zanger Alan Ward, die onder de naam Elton Motello opereerde. Ward had België leren kennen als lid van de glamrockband Bastard, waarvan gitarist Brian James later The Damned zou oprichten. Zijn tekst vertelde het verhaal van een vijftienjarige jongen in een seksuele relatie met een oudere man. Die versie verscheen zelfs iets eerder dan de Franstalige, maar werd vanwege de inhoud nauwelijks gedraaid.
‘Ça Plane Pour Moi’ daarentegen vloog de hitlijsten in. Nummer 1 in Frankrijk en Zwitserland, nummer 2 in Nederland en Australië, nummer 6 in West-Duitsland, nummer 8 in het Verenigd Koninkrijk. In de Verenigde Staten bereikte het nummer 47 in de Billboard Hot 100, een uitzonderlijke prestatie voor een Franstalig nummer. Alleen ‘Dominique’ van Sœur Sourire en ‘Je t’aime… moi non plus’ van Serge Gainsbourg en Jane Birkin hadden dat eerder gepresteerd.
Lou Deprijck was geen nobody die toevallig een punkplaat in elkaar knutselde. Toen hij in 1977 ‘Ça Plane Pour Moi’ schreef, had hij al een loopbaan achter de rug die van flop naar hit slingerde. Zijn eerste band, Pop’ Liberty 6, ging in 1967 roemloos ten onder met de single ‘Je suis pop et tout à fait dingue’. Maar met Two Man Sound, een Latin-popformatie die hij vormde met Sylvain Vanholme van The Wallace Collection en Yvan Lacomblez, verkocht hij miljoenen platen. Hun single ‘Charlie Brown’ uit 1975 ging meer dan een miljoen keer over de toonbank. Het album ‘Disco Samba’, een medley van Braziliaanse hits waaronder werk van Jorge Ben, verkocht 1,4 miljoen exemplaren in Latijns-Amerika alleen.
Deprijck was een kameleon: producer, componist, zanger, entertainer. Hij vergeleek zichzelf met Kid Creole and the Coconuts, en de vergelijking klopt: diezelfde mix van big band jazz, disco, Caribische muziek en Hollywoodglamour. In 1978 scoorde hij onder de naam Lou & the Hollywood Bananas een Europese hit met ‘Kingston, Kingston’. In de jaren tachtig lanceerde hij de carrière van Viktor Lazlo, geboren als Sonia Dronier, die hij ontmoette in de Brusselse nachtclub Le Mirano en haar naam gaf naar een personage uit de film ‘Casablanca’. Deprijck produceerde twee albums voor haar.
Hij was, kortom, een man die wist hoe je hits maakte. En die wist dat je daarvoor niet per se dezelfde persoon nodig had voor de opname en voor het podium. Het probleem: de stem op de plaat was niet van de man op de hoes.
Roger François Jouret, geboren op 24 februari 1954 in Brussel uit een Franse vader en een Oekraïense moeder, was drummer bij de punkband Hubble Bubble toen manager Bernard Schol hem in contact bracht met Deprijck. Die zocht geen muzikant, hij zocht een gezicht. Jouret had de looks, de energie, de tele-genieke uitstraling. Deprijck kleedde hem in een leren jack met veiligheidsspelden uit de winkel van Malcolm McLaren in Londen, plakte er de artiestennaam Plastic Bertrand op, en stuurde hem de wereld in. “Plastic had enorme kwaliteiten”, gaf Deprijck later toe. “Hij danste opmerkelijk. Hij sprak perfect voor televisie. Hij had een ongelooflijk charisma. Hij was de perfecte drager voor het nummer.” Maar de stem op ‘Ça Plane Pour Moi’, en volgens Deprijck ook op de vier albums die volgden tussen 1977 en 1981, was die van Deprijck zelf. Jouret mocht de studio niet in. Hij was, in zijn eigen woorden, het uithangbord van een product waarover hij geen controle had.
Na het einde van de samenwerking met Deprijck in 1981 probeerde Jouret een eigen carrière op te bouwen. Hij presenteerde televisieprogramma’s in Frankrijk, België en Italië, was de ster van een Italiaans fotoverhaal dat door miljoenen lezers werd gevolgd, werkte met componist Vladimir Cosma aan de filmmuziek van ‘Astérix et la surprise de César’, en nam met Daniel Balavoine en Anni-Frid Lyngstad van ABBA deel aan ‘Abbacadabra’, een muzikaal sprookje voor kinderen. In 1987 vertegenwoordigde hij Luxemburg op het Eurovisiesongfestival met ‘Amour, Amour’. Het resultaat: 4 punten, een eenentwintigste plaats van de tweeëntwintig deelnemers. Een beschamende afgang die de ironie van zijn carrière perfect samenvatte: de man die beroemd was geworden met een stem die niet de zijne was, kon met zijn eigen stem zelfs Luxemburg niet op de kaart zetten.
Joe Strummer van The Clash noemde ‘Ça Plane Pour Moi’ ooit een verbluffend goede plaat die zelfs iemand in coma aan het voetwippen zou krijgen. Strummer wist niet dat hij de producer prees, niet de artiest.
De fraude hield bijna vijftig jaar stand door een combinatie van juridische manoeuvres, financiële belangen en wederzijdse stilte. In 2006 oordeelde het hof van beroep in Brussel, in een zaak aangespannen door platenmaatschappij AMC tegen Deprijck, dat Plastic Bertrand de enige wettelijke vertolker van het nummer was. Maar die uitspraak ging over auteursrechtelijke kwesties rond een nieuwe versie die Deprijck in 2006 had opgenomen, niet over de feitelijke vraag wie er in 1977 had gezongen. Deprijck zelf heeft die vraag nooit aan een rechter voorgelegd.
In 2010 bracht een taalkundige expertise, uitgevoerd in het kader van een andere rechtszaak, een ongemakkelijke waarheid aan het licht. De expert analyseerde de stemopname uit 1977 en vergeleek die met een versie die Deprijck in 2006 had opgenomen. Zijn conclusie: dezelfde stem. Bovendien wees de expert op de zinsafsluitingen in de opname, die volgens hem alleen konden worden toegeschreven aan iemand met een picardisch of ch’ti-accent. Jouret, geboren en getogen in Brussel, had dat accent niet. Deprijck, afkomstig uit het Henegouwse Lessen, vlak bij de Franse grens, wel.
Jouret leek de zaak kort daarna te bevestigen in een interview met een grote Belgische krant. “Ik wil best zeggen dat het niet mijn stem was”, verklaarde hij, “maar dan moet je er ook bij vertellen dat het allemaal in scène is gezet door Lou Deprijck.” Volgens Jouret had Deprijck hem gevraagd zijn mond te houden in ruil voor 0,5 procent van de royalty’s, met de belofte dat er een nieuwe versie met Jourets eigen stem zou komen. Die kwam er nooit. De dag erna trok Jouret alles weer in. Hij beweerde dat hij ironisch was geweest, dat hij in de val was gelokt, en dreigde met juridische stappen. Het was niet de eerste keer: in de jaren negentig had hij tegenover journalist Gilles Verlant hetzelfde gedaan: kort bekennen, meteen ontkennen.
Terwijl de waarheid een Belgisch-Byzantijns steekspel bleef, leidde het nummer een ongekend tweede, derde en vierde leven. Het dook op in Martin Scorseses ‘The Wolf of Wall Street’ als sonische vertaling van ongeremd hedonisme, in Danny Boyles ‘127 Hours’, in de openingsscène van ‘Jackass 3.5’, in ‘Ruby Sparks’, in de Netflix-serie ‘La Casa de Papel’ en in ‘Ozark’. Coca-Cola gebruikte het voor een reclamecampagne in Zuidoost-Azië, Pepsi voor een spot in de Verenigde Staten. Het videospel Just Dance 2019 nam een coverversie op. De coverlijst leest als een who’s who van de alternatieve rock: Sonic Youth, Presidents of the United States of America, The Damned, Leila K (wier versie uit 1993 in zes Europese landen de top 20 haalde), Nouvelle Vague en Vampire Weekend. Het is een nummer dat weigert te verdwijnen, deels omdat het zo aanstekelijk is, deels omdat niemand precies weet wat er wordt gezongen. De tekst, geschreven door Lacomblez, is een aaneenrijging van onzinnige beelden: een kat die zijn tong inslikt terwijl hij whisky drinkt, een nacht in de dakgoot, een flash in vier kleuren. Deprijck beschreef het ooit als het gezichtsveld van iemand op lsd.
Wat de zaak nog absurder maakt, is het lot van ‘Jet Boy, Jet Girl’. Hetzelfde instrumentale fundament, dezelfde studio, dezelfde sessiemuzikanten, dezelfde producer, maar een radicaal andere tekst: een expliciet verhaal over een homoseksuele relatie met een minderjarige. Alan Ward schreef de tekst, en het nummer verscheen zelfs enkele weken eerder dan ‘Ça Plane Pour Moi’ op het Belgische label Pinball, terwijl de Franstalige versie op RKM verscheen. ‘Jet Boy, Jet Girl’ werd een cultklassieker in undergroundkringen. The Damned nam in 1978 een cover op, Captain Sensible eveneens, en decennia later volgden Crocodiles en Laura Jane Grace. John Waters nam het op voor zijn compilatie ‘A Date with John Waters’ uit 2007. Een radiostation in Miami kreeg in 1989 een boete van tienduizend dollar van de FCC voor het draaien ervan. Maar de grote hit werd het nooit: de maatschappij was er nog niet aan toe.
Deprijck inde ondertussen componistenrechten van beide versies, plus alle covers en alle sync-deals. Het was, zoals een Canadese muziekjournalist het formuleerde, een van de meest ongewone dubbele inkomstenbronnen uit de muziekgeschiedenis.
Op 19 september 2023 overleed Lou Deprijck op 77-jarige leeftijd in een Brussels ziekenhuis aan een plotselinge sepsis. Hij had jarenlang in Thailand gewoond, in de buurt van Pattaya, waar hij een nummer schreef dat het onofficiële volkslied van de badplaats werd. Terug in België liet hij een dochter na en een 26-jarige vriendin met wie hij van plan was te trouwen. Hij had zijn grafplaats al uitgezocht, naast het kerkhof van Wannebecq bij Lessen. “Dat stukje grond heb ik gekocht”, zei hij daar ooit over. “Genoeg voor een graf met voortuintje.” Prins Laurent, die jarenlang met Deprijck bevriend was, woonde de uitvaart bij in de Sint-Pieterskerk in Lessen, waar honderden mensen afscheid kwamen nemen.
Met Deprijcks dood verdween de enige persoon die met zekerheid kon vertellen wat er in de zomer van 1977 in Studio Morgan was gebeurd. Jouret heeft sindsdien consequent volgehouden dat hij de vertolker is, en juridisch is dat nog altijd zijn positie. De taalkundige expertise uit 2010 heeft de uitspraak van het Brusselse hof uit 2006 nooit aangetast. Het recht zegt het ene, de wetenschap suggereert het andere, en de waarheid ligt ergens in een graf met voortuintje op het kerkhof van Wannebecq.
‘Ça Plane Pour Moi’ is meer dan een popsong. Het is een casestudy in de mechaniek van popmuziek: het bewijs dat charisma, timing en drie akkoorden in A, E en D zwaarder kunnen wegen dan de stem die ze tot leven brengt. Het is een nummer dat werd gezongen door de verkeerde man, werd voorgedragen door de juiste man, en uiteindelijk van niemand meer is, behalve van iedereen die het ooit heeft gehoord in een film, een reclamespot of een kroeg op zaterdagavond. In de Franstalige popgeschiedenis bestaat er geen groter bedrog. Maar misschien is dat ook precies de reden waarom het nummer zo goed past bij het leven dat het beschrijft: absurd, onsamenhangend, en onverwoestbaar aanstekelijk.
