Het is niet de eerste keer dat Paul McCartney op een nieuw album nostalgisch terugblikt op zijn leven. Sterker nog; nostalgie verweefde hij al in zijn werk toen hij in zijn tienerjaren een liedje schreef dat hij later met The Beatles op ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’ zou opnemen: ‘When I’m Sixty-Four’. Een leeftijd waarvan hij als tiener dacht dat je dan echt oud was, maar inmiddels ligt die leeftijd alweer twintig jaar achter hem. Waarschijnlijk had hij zelf, toen hij het nummer schreef, ook niet gedacht dat hij op de (bijna) leeftijd van 84 jaar nog een nieuw album zou uitbrengen. Maar nu, bijna 60 jaar later, verschijnt ‘The Boys of Dungeon Lane’. Een album dat is vernoemd naar een straat in Liverpool waar hij met zijn broer Mike als kind vaak vogels ging spotten. Het verwijst ook naar de voornamelijke thematiek van het album, waarin hij terugblikt op zijn tienerjaren in Liverpool. Voor het album werkte hij echter wel samen met een veel jongere producer; Andrew Watt. Watt haalde ook drie jaar (en binnenkort weer) het beste naar boven bij de oudgedienden van The Rolling Stones (waarop McCartney ook meespeelde), dus een samenwerking met een lid van die andere legendarische band lag voor de hand.
Op de eerste single ‘Days We Left Behind’ leek het er in eerste instantie op dat McCartney het sober zou houden. Net als Johnny Cash deed in zijn nadagen op diens ‘American Recordings’ met enkel akoestische begeleiding. Maar Paul McCartney is altijd veelzijdig geweest. Bijna ieder album van hem is een palet van verschillende stijlen, en dat is op ‘The Boys of Dungeon Lane’ niet anders. Zo begint het verrassend met een ‘spoken word’ couplet in ‘As You Lie There’, dat zich halverwege ontpopt in een rocker waarop zijn rockstem weer is te horen. Dat het nummer gaat over een meisje uit zijn puberteit waarop hij verliefd was, maar waarbij de liefde onbeantwoord bleef, maakt het dan weer aandoenlijk dat zelfs bij de grootste songwriter deze gevoelens niet vreemd zijn.
De verwijzingen naar zijn oude bandgenoten John Lennon, George Harrison en Ringo Starr zijn niet ver weg. In ‘Days We Left Behind’ ging het al over het schrijverspartnerschap met Lennon, en in de rockabilly achtige ‘Down South’ haalt hij herinneringen op aan de trip die hij met Harrison maakte door te liften als tieners. Ringo is dan zelfs fysiek aanwezig in het duet ‘Home To Us’, dat met de achtergrondvocalen van Chrissie Hynde (The Pretenders) en Sharleen Spiteri (van Texas) zelfs een beetje als een Jeff Lynne productie klinkt. Net als overigens in ‘Lost Horizon’. Toch ironisch, aangezien Jeff Lynne met de ELO wilde voortborduren in de jaren ’70 waar The Beatles waren gestopt (en later in de jaren ’90 de singles ‘Free As A Bird’ en ‘Real Love’ onder handen nam). ‘Ripples In A Pond’ klinkt dan weer opvallend eigentijds. Al roept de break in het nummer wel herinneringen op aan ‘We Got Married’ van het album ‘Flowers In The Dirt’ uit 1989. Ook als het tekstueel niet terug gaat naar vervolgen tijden, zoals in het psychedelische ‘Mountain Top’ over een meisje aan de paddo’s op Glastonbury, grijpt het muzikaal wel terug naar The Beatles ten tijden van 1967.
Waar het de afgelopen decennia vaak gaat over de oudere stem van McCartney die niet meer klinkt als in zijn twintiger en dertiger jaren, past dat uitstekend bij de thematiek van het album van een oudere man die terug kijkt. Enkel in het music hall achtige ‘Life Can Be Hard’ klinkt hij wel heel erg breekbaar, maar Andrew Watt weet dat mooi te polijsten met George Martin achtige orkestratie. Iets wat hij ook van stal haalt in misschien wel de hoogtepunten die tot op het einde beiden zijn bewaard; ‘Salesman Saint’ en ‘Momma Gets By’. Beiden een eerbetoon aan zijn ouders. ‘Salesman Saint’ had muzikaal niet misstaan op ‘Tug Of War’ uit 1982 naast een nummer als ‘The Pound Is Sinking’ (geproduceerd door George Martin). Terwijl hij in ‘Momma Gets By’ bijna als een crooner klinkt waarbij zijn stem niet ten onder gaat.
Vaak is McCartney afgeschreven geweest door zijn oudere stem (zoals 10 jaar geleden op Pinkpop). Maar op dit album stoort het nauwelijks. Als geheel is het meer een volwaardig album dan de experimentele voorganger ‘McCartney III’, en klinkt het meer als een geheel dan de albums daarvoor, ‘New’ uit 2013 en ‘Egypt Station’ uit 2018. Het is een cliché om te zeggen dat het zijn beste album in jaren is. Maar ‘The Boys of Dungeon Lane’ is wel meer een samenhangend geheel in de stijl van ‘Chaos & Creation in the Backyard’ uit 2005, en wel het beste album sindsdien. Waar McCartney zich op dat album liet vertellen wat hij het beste kon doen door Nigel Godrich, is nu 21 jaar later Andrew Watt erin geslaagd om McCartney op zijn 84ste nog het beste in hem naar boven te halen. (9/10) (Capitol)
