De vibrafoonspeler uit Chicago levert zijn meest persoonlijke statement tot nu toe en voegt jazzsofisticatie samen met spiritueel getuigenis
Toen Joel Ross als kind opgroeide aan de South Side van Chicago, speelde zijn vader platen van James Cleveland en herinnerde hem eraan: ”Now, that’s your cousin”. Het was een familiale connectie met gospelroyalty, maar belangrijker nog, het was een on ontkombare sonische afdruk. Jarenlang kanaliseerde de 30-jarige vibrafoonspeler zijn gaven in de cerebrale hoeken van moderne jazz, lof oogstend voor albums als ‘KingMaker’ en ‘The Parable of the Poet’, terwijl het geluid van de zwarte kerk zachtjes op de achtergrond bromde. Met ‘Gospel Music’ draait Ross die brom eindelijk op tot een voluit gezongen geloofsverklaring.
Deze vijfde Blue Note-release is Ross’ gedurfdste artistieke draai: een zeventien tracks tellende sonische interpretatie van het Bijbelse verhaal dat schepping, zondeval en verlossing volgt. Het is ambitieus zonder groots te zijn, diep persoonlijk zonder de collectieve geest op te offeren die zijn band Good Vibes definieert. Waar 2024’s ‘nublues’ de blues als emotioneel terrein verkende, ontgint ‘Gospel Music’ het spirituele fundament eronder.
Het album opent met ‘Wisdom Is Eternal (For Barry Harris)’, een opdracht aan de overleden pianomeester die de toon zet, Ross’ hamers glinsteren als licht door glas-in-loodramen terwijl saxofonisten Josh Johnson (alt) en Maria Grand (tenor) tegen melodieën weven die aanvoelen als call-and-response-gebeden. Het is cerebrale muziek weergegeven met warmte, een kwaliteit die Ross heeft verfijnd sinds zijn studies bij vibrafoonspeler Stefon Harris. De instrumentatie balanceert doorlopend complexiteit met toegankelijkheid; als John Coltrane’s ‘A Love Supreme’ ons spirituele jazz als extatische devotie gaf, biedt Ross het als contemplatieve meditatie.
‘Trinity (Father, Son and Holy Spirit)’ toont het uitgebreide sextet op zijn best. Pianist Jeremy Correns harmonieën putten zowel uit Ahmad Jamals elegantie als de akkoordvoicings van moderne gospel, terwijl drummer Jeremy Dutton en bassist Kanoa Mendenhall alles verankeren met een puls die fundamenteel maar onvast is, dezelfde polyritmische verfijning die Ross tot een rijzende ster maakte, nu in dienst van iets groters dan techniek.
De meest opvallende momenten van het album komen wanneer Ross de grens tussen compositie en improvisatie vervaagt. ‘Praise To You, Lord Jesus Christ’ bevat zang van zijn vrouw, trompettiste Laura Bibbs, die een vastentijd-gospelacclamatie zingt die het hele project grondt in geleefde aanbidding, niet abstracte spiritualiteit. Het wordt gevolgd door ‘Calvary’, een traditionele spiritual uitgevoerd met zangeres Ekep Nkwelle die raakt met de emotionele directheid van Mahalia Jackson, zelfs terwijl de band Ross’ kenmerkende complexiteit handhaaft. Zie het als Alice Coltrane’s ‘Journey in Satchidananda’, muziek die niet slechts naar het goddelijke verwijst maar het probeert te belichamen.
Ross is duidelijk geweest over zijn invloeden voor dit project: Fred Hammond, Yolanda Adams, Kirk Franklin, Mary Mary. Dit zijn niet zomaar namedrops, het zijn wegwijzers voor het uitnodigend maken van technisch veeleisende muziek. ‘A Little Love Goes A Long Way’ demonstreert dit perfect, de melodie swingt met de lichtheid van een zondagochtenddienst, hamers dansend over grote tertsen, terwijl het genoeg harmonische diepte behoudt om de jazzpuristen tevreden te stellen. Het is Ross die bereikt wat hij zich voornam: het creëren van ‘meditatieve ruimte’ waar complexiteit en toegankelijkheid samenleven.
Het contrast tussen saxofonisten Johnson en Grand geeft het album textuurrijkheid. Johnsons alt brengt vloeiendheid en warmte, terwijl Grand, de in Zwitserland geboren improvisator, een meer abstracte, cerebrale benadering bijdraagt met haar tenor. Hun samenspel op tracks als ‘The Shadowlands’ en ‘Repentance’ creëert spanning die de verhalende boog van het album spiegelt: de worsteling, de twijfel, de uiteindelijke verlossing.
Als er een kritiekpunt is, dan is het dat 78 minuten een substantiële investering is. Sommige stukken halverwege het album, ‘Hostile’ en ‘Word for Word’, hoewel thematisch belangrijk, evenaren de pieken niet helemaal. Maar dit is ook muziek ontworpen voor contemplatie, niet voor achtergrondluisteren. Ross vraagt ons om bij deze ideeën te zitten zoals gelovigen bij de Schrift zitten.
Het afsluitende gedeelte, met ‘The Giver’ waarin Andy Louis James Baldwins gedicht zingt over geïmproviseerde soundscapes, brengt alles weer rond. Het is Ross die de belofte vervult die hij maakte: het ‘goede nieuws’ delen door muziek die praktiseert wat ze predikt, ruimte maken voor iedereen, elkaar ondersteunen, vernieuwing zoeken door collectieve expressie.
‘Gospel Music’ positioneert Joel Ross niet alleen als een van jazz’ helderste jonge talenten, maar als een artiest die bereid is zichzelf volledig te onthullen. Het is aanbidding als kunst, kunst als getuigenis, en jazz als een voertuig voor beide. In een genre dat vaak beschuldigd wordt van navelstaren kijkt Ross omhoog en naar buiten, ons uitnodigend hetzelfde te doen. (8/10) (Blue Note Records)
