Het Muziekgebouw Eindhoven ontving vrijdagavond een opvallende aanblik toen het voltallige Metropole Orkest het podium opkwam in skeletten pakken. Zelfs dirigent Jules Buckley en de Amerikaanse multi-instrumentalist Louis Cole verschenen in de opmerkelijke onesies met skeletopdruk, een visueel effect dat uiteindelijk het enige puntje van humor bleek in de set van de doorgaans humorvolle Louis Cole.
Het Metropole Orkest opende de avond zonder Cole en zijn band met ‘Ludovici Cole Est Frigus’, het openingsnummer van hun gezamenlijke album ‘nothing’ uit augustus dit jaar. De strijkers creëerden een indrukwekkende, bijna eerbiedige sfeer voordat Cole zelf achter zijn drumstel plaatsnam, vergezeld door keyboardspeler Israel Strom, altsaxofonist David Binney, gitarist Reinier Baas, bassist Petter9000 en zangeres Genevieve Artadi en een kwintet achtergrondzangeressen.
Cole werkte eerder samen met grootheden als Thundercat en Brad Mehldau en staat bekend om zijn grensverleggende combinatie van electro, funk en orkestrale arrangementen. Samen met Artadi vormt hij ook het electrofunk-duo KNOWER, waarmee hij miljoenen views verzamelde met virale video’s. Voor ‘Nothing’ koos Cole echter niet voor orkestrale hernemingen van bestaande hits, maar componeerde hij volledig nieuwe muziek specifiek voor deze samenwerking.
De avond bood een paradox: muzikaal was het een meesterwerk van precisie en perfectie, maar juist die foutloze uitvoering creëerde een zekere spanning. Deze experimentele akoestische electrofunk waar Cole bekend van is, leek soms te strak geregisseerd, wat hier en daar schuurde met Cole’s gebruikelijke speelse benadering. Het geluid was bovendien af en toe wat dof, waardoor de dynamiek niet altijd tot zijn recht kwam.
Een opmerkelijk contrast ontstond tussen de zangeressen. Waar Artadi en Fuensanta Méndez expressief en energiek bewogen, maakte de prachtige Liva Dumpe een ingetogen indruk en leek ze zich niet helemaal op haar gemak te voelen met de choreografische elementen. De achtergrondzangeressen Laura Polence, Marta Arpini en Sanem Kalfa klonken vocaal voortreffelijk samen, maar de visuele samenhang liet te wensen over.
Toch was de behandeling van ‘Life’ tijdens de avond een van de absolute hoogtepunten. Het nummer klonk in het reguliere programma al indrukwekkend, maar kwam pas echt tot zijn recht tijdens de tweede toegift. Daar kreeg de uitvoering de vrijheid en spontaniteit die kenmerkend is voor Cole’s muziek, met meer ruimte voor improvisatie en een losser samenspel tussen de muzikanten. De transformatie van het nummer tussen beide uitvoeringen demonstreerde precies waar de avond om draaide: de spanning tussen orkestrale discipline en creatieve vrijheid.
Buckley leidde het orkest door een suite van zeventien composities, waarvan vijftien volledig nieuw materiaal, met daarbij klassieke elementen, jazz improvisaties en funky grooves. Het tien minuten durende ‘Doesn’t Matter’ vormde eveneens een hoogtepunt van de avond, waarin alle lagen van het project samenkwamen.
De avond toonde de mogelijkheden en uitdagingen van het vertalen van Cole’s eigenzinnige muzikale visie naar een grote orkestrale setting. Ondanks de technische perfectie miste de hoofdset soms de rauwe energie en het speelse karakter dat Cole’s werk zo herkenbaar maakt. Pas in de toegiften, toen de strakke regie wat losser werd, kwam de ware essentie van zijn muziek naar voren.
