Keith Urban ruilt op ‘Flow State’zijn stadionwaardige countryrock in voor tien yachtrockcovers en één eigen song, en levert daarmee het meest ontspannen en het minst noodzakelijke album van zijn loopbaan.
De Australische countryster, dertien CMA Awards rijk en bekend van ‘Somebody Like You’ , kocht in Nashville de oude Tracking Room-studio, doopte die om tot The Sound en wilde de ruimte inspelen met wat sessiemuzikanten. Eén yachtrocknummer voor de lol werd er twee, twee werden er een handvol, en vijf maanden later lag er een plaat. Producer Dann Huff hield mee de pen vast. Dat de plaat verschijnt vlak na Urbans scheiding van Nicole Kidman in januari 2026 is geen toeval volgens hemzelf: de titel verwijst naar beweging, naar muziek als tegengif tegen stress. Mooi verhaal. De vraag is alleen of een goed verhaal ook een goede plaat oplevert.
Hoe klinkt Flow State? Glad. Heel glad. Urban kiest niet voor het slopen van de klassiekers en evenmin voor klinische namaak, maar mikt op de tussenweg en voorziet alles van zijn herkenbare gitaarvingerafdruk zonder over de melodieën heen te walsen. Zijn grootste deugd hier is terughoudendheid. Op ‘Summer Breeze; van Seals & Crofts laat hij de song ademen en weerstaat hij de verleiding om te oversingen; de verlengde outro met keyboard en akoestische gitaar is het zeldzame moment waarop het album werkelijk iets toevoegt aan het origineel. De gasten doen wat ze moeten doen. Little Big Town zorgt voor de samenzang op Walter Egans ‘Magnet and Steel’, John Mayer komt langs voor Breads ‘Guitar Man’ en speelt precies zo soepel als je van hem verwacht. Het hoogtepunt is het enige eigen nummer: ‘We Go Back’ met Michael McDonald van The Doobie Brothers. Urban schreef het al in 2020 en hoorde altijd al McDonalds stem in het refrein. Dat die er nu daadwerkelijk op staat, geeft de plaat haar enige echt onvervangbare moment. Het nummer valt niet uit de toon tussen de covers; het verdient ze.
Waar wringt het? Overal, en het begint meteen bij het openingsnummer. ‘Steal Away’ is bijna noot voor noot een Doobie Brothers-imitatie, met die bouncende pianopartij voorop, en dat is geen toeval. Het origineel van Robbie Dupree uit 1980 werd destijds al beschuldigd van plagiaat op ‘What a Fool Believes’ van de Doobie Brothers; er werd zelfs met juridische stappen gedreigd, al kwam het daar nooit van. De Los Angeles Times noemde het in 1991 ronduit een slappe rip-off, en muziekhistorici rekenen het tot het meest schaamteloze kopieerwerk dat het genre heeft voortgebracht. Je zou bijna willen geloven dat Urban de grap doorheeft, dat hij die plagiaatzaak met opzet vooraan zet om te zien of iemand het merkt. Maar niets in zijn toon wijst daarop; hij meent het oprecht, en dat maakt het juist veelzeggend. Urban opent zijn yachtrockhulde blik uitgerekend met de meest beruchte plagiaatzaak uit de geschiedenis van het genre, geproduceerd door Dann Huff, en bevestigt daarmee precies de verdenking die boven het hele project hangt: dit lift mee op de hernieuwde populariteit van het label yachtrock zonder er iets aan toe te voegen.
En dan de songkeuze. De covers zijn van de meest uitgekauwde, voor de hand liggende soort. ‘Just the Two of Us’ is zo grondig vergrijsd dat geen enkele nieuwe versie er nog iets aan kan toevoegen. Het genre is een schatkamer van slimme, onderbelichte parels, maar Urban grijpt steevast naar de cheesy evergreens die zelfs het label yachtrock nog doen blozen. Had hij dit vijf jaar geleden gemaakt, dan was het een ontdekkingsreis geweest. Nu is het een veilige greep in de grabbelton. De muzikaliteit is onberispelijk, en precies dat is het probleem: alles is zo glad afgewerkt dat er nergens iets schuurt. ‘Flow State’ is een charmant maar overbodig tussendoortje, gedragen door vakmanschap en één werkelijk geslaagd origineel, dat zijn eigen verdenking van trendsurfen nooit ontkracht. Een 6 zou de plaat belonen voor precies het gemak dat haar zwakte maakt; het vakwerk en McDonald houden haar net boven de waterlijn, maar verder dan dat reikt de ambitie niet.(5/10) (Hit Red/MCA Nashville)
