Bebe Rexha levert met ‘Dirty Blonde’ haar eerste plaat als onafhankelijk artiest af: een dertien nummers tellend dance-popalbum dat haar identiteit eindelijk omarmt en tegelijk te vaak terugvalt in de veiligheid waar ze juist van weg wilde.
De in Brooklyn geboren zangeres van Albanese komaf brak begin jaren tien door als schrijver achter de schermen, won een Grammy-nominatie voor het door haar mee geschreven ‘The Monster’ van Eminem en scoorde daarna eigen hits en miljoenen-streamende samenwerkingen met David Guetta en Florida Georgia Line. Toch bleef ze altijd de underdog, de naam die nooit helemaal in het rijtje van Dua Lipa of Charli XCX terechtkwam. Na het major-album ‘Bebe’ uit 2023 stapte ze uit het platenlabelsysteem; ‘Dirty Blonde’ is haar eerste worp in vrijheid, gepresenteerd als visueel album waarbij elk nummer een eigen videoclip krijgt. “De oude Bebe is dood”, verklaarde ze zelf. De vraag is of de nieuwe iets durft wat de oude niet durfde.
Wat wil ‘Dirty Blonde’ voor een album zijn? Een bevrijding, vooral. Rexha laat het radiovriendelijke compromis los en gaat voluit voor de dansvloer, met een productie die in haar beste momenten scherp en eigenzinnig klinkt. Openingsnummer ‘Hysteria’ gooit meteen de deur open: agressieve, vervormde synths, hyperpop-energie en een vocale bewerking die de luisteraar geen seconde rust gunt. Het is Rexha op haar meest onbevreesd, en het is de helderste belofte van de plaat.
Die belofte wordt het sterkst ingelost op twee fronten. ‘New Religion’, de leadsingle met het Britse Faithless, bouwt onmiskenbaar voort op het onsterfelijke ‘Insomnia’ en maakt van de dansvloer een plek van heling. Het is de zeldzame keer dat een nostalgische ingreep niet als roof voelt maar als eerbetoon, mede doordat Rexha toestemming kreeg om de originele elementen te gebruiken. En dan is er ‘Çike Çike’, geproduceerd door DJ Snake, waarop ze voor het eerst haar Albanese afkomst centraal zet, met Albanese tekst over moderne 808-bassen. In een popwereld die identiteit graag als marketingtruc inzet, voelt dit als een oprechte daad. Het is het meest karaktervolle nummer dat ze ooit maakte.
Waar zakt het album door zijn hoeven? Precies daar waar de moed haar verlaat. Na een sterke kop verliest ‘Dirty Blonde’ in de middenmoot zijn richting. Een flink deel van de plaat valt terug op de generieke radio-electropop die we al sinds halverwege de jaren tien kennen, zonder de wendingen of het lef die dit decennium vragen. Het probleem is niet dat het slecht is; het probleem is dat het veilig is. Critici op Album of the Year wezen er terecht op dat verschillende nummers in één oor naar binnen en het andere weer naar buiten glijden, en dat de plaat de opgebouwde spanning halverwege weer loslaat om naar vertrouwd Bebe Rexha-terrein terug te keren. ‘Sad Girls’, de zoveelste samenwerking met David Guetta, voelt eerder als plichtmatige festivalvulling dan als de nieuwe Bebe die ons beloofd was.
Met dertien nummers in amper drieëndertig minuten is ‘Dirty Blonde’ bovendien kort, en die kortheid verbergt dat de tweede helft minder ideeën bevat dan de eerste. Het visuele-album-concept is een mooi idee, maar op de muziek alleen afgerekend blijft er een plaat van twee snelheden over. ‘Dirty Blonde’ is het geluid van een artiest die eindelijk durft te zijn wie ze is, maar nog niet de hele weg durft te lopen. Wanneer Rexha haar Albanese wortels en haar rave-instinct volgt, klinkt ze urgenter dan ooit; wanneer ze terugvalt op de Guetta-formule, hoor je precies waarom ze altijd de underdog bleef. Het is vermoedelijk haar sterkste plaat, maar dat zegt evenveel over de lat als over de sprong: voor elke ‘Çike Çike’ staat er een nummer dat je meteen weer vergeet. Een stap vooruit die halverwege blijft staan. (6/10) (Empire)
