In 2024 debuteerde Plantoid met ‘Terrapath’ waarop het onmiskenbaar prog bracht, maar dan wel van het type dat met King Crimson een laatste vaandeldrager had. Maar alles wat goed is, komt een keer terug. Niet voor niets is bijvoorbeeld BEAT ook succesvol, de gelegenheidsformatie met snarenvirtuoos Steve Vai en de Tool-motor Danny Carey achter de trommels: BEAT brengt de jaren tachtig van King Crimson weer live tot leven. En Plantoid borduurt nu verder op de erfenis van Belew, Fripp en Bruford in zijn beste dagen, want de invloeden zijn onverhuld. Geen gemakkelijke kost.
Het trio rond Chloe Spence, Tom Coyne en Louis Bradshaw laat op ‘FLARE’ horen dat de muzikale grenzen nog lang niet zijn bereikt, maar waar wel elke seconde ertoe doet. De luisteraar tuimelt werkelijk door de composities heen en zal hier en daar echt moeite moeten doen om letterlijk bij te blijven in de vreemde wisselingen van akkoorden, onverwachte veranderingen van tempi en afwijkende maatsoorten. Toch is dit album toegankelijker dan ‘Terrapath’. Sommige stukjes voelen zelfs erg ‘pop’ aan. Een bewuste verandering van koers. ‘FLARE’ moest minder ‘proggy’ gaan klinken zodat het een breder publiek zou trekken. Plantoid speelde bijvoorbeeld recent op Eurosonic Noorderslag, in een bomvolle zaal. Missie geslaagd, derhalve.
Geen misverstand: ‘FLARE’ is complex, maar de tracks zijn allemaal net wat beter uitgewerkt dan op de voorloper. Dat is mede de verdienste van producer Nathan Ridley die het geluid van de band transparanter, meer open heeft gemaakt, ondanks de zware gitaarriffs en de wall-of-sound die Plantoid optrekt. De opening van ‘Parasite’ is daarvan direct een goed voorbeeld. Die track dendert met flink wat gitaargeweld binnen, maar daarachter ontvouwt zich een ingetogen stuk met fijne vocalen van Spence. Het tweede stuk ‘Ultivatum Cultivation’ is juist meer rechttoe-rechtaan, meer pop. In ‘The Weaver’ horen we juist weer meer van de jazz-invloeden die we kennen bij Plantoid, inclusief onverwachte breaks en hooks, zeker in het laatste deel van de song.
De afwisseling maakt van ‘FLARE’ een boeiend geheel. In stukken als ‘The Weaver’ hoor je overigens goed dat Plantoid-oprichter Bradshaw een van de beste drummers is die de pop/rock tegenwoordig rijk is, iemand die moeiteloos in de sporen stapt van drummers als Gavin Harrison, Terry Bozio of zelfs Carrey. Drummers die op hun beurt werden beïnvloed door bijvoorbeeld Bruford, die composities met mathematische precisie op de rails hield, zonder zich te verliezen in egotripperij met oeverloze fills. Ook bij Bradshaw past het allemaal precies, alles perfect gedoseerd, nergens te veel of over de top, maar steeds in dienst van de gehele compositie. Spanning boven spierballen, drums met een intellectuele benadering, bijna anti-rock. Da’s een dik compliment waard.
Het spektakelstuk is het afsluitende ‘Daisy Chains’ waarin de band zeven minuten lang verschillende stijlen en sferen aan elkaar rijgt en het toch voor elkaar krijgt om het een samenhangend geheel te laten zijn, bijna zoals oude componisten hun symfonieën opbouwden, met een bombastisch eind als absolute apotheose. Het is het resultaat van een andere aanpak in songwriting, waarin de band meer tijd heeft genomen om de composities in detail uit te werken, in tegenstelling tot ‘Terrapath’ dat meer als het product van een jamsessie werd benaderd.
De groei van Plantoid is daarmee indrukwekkend. Tussen ‘Terrapath’ en ‘FLARE’ zit een dik jaar en als je dan deze groei, deze potentie laat zien, dan kun je als luisteraar niet anders dan je ontzettend verheugen op alles dat verder in het vat zit. (8/10) (Bella Union)
