Bij concerten van Walter Trout is het al jaren vaste prik: Tourmanager Andrew Elt komt het podium op, gaat achter de microfoon staan en slingert zijn stem de zaal in. Een jaren ’70 rock&roll ademende dijk die hoogtes haalt waar vele vocalisten slechts van dromen. “Vooral die jongen met die lange haren kan goed zingen”, is een veelgehoorde opmerking na een concert.

“Die jongen” is Andrew Elt en beperkt zich zeer zeker niet alleen tot Trout. Je komt hem tegen als leadzanger bij de succesvolle Led Zeppelin tribute band Physical Graffiti, en hij zingt net zo makkelijk in een Foo Fighters, Deep Purple of AC/DC coverband. Of in sessie op de Zwarte Cross met nummers van Cheap Trick en Bad Company. Om er eindelijk eens achter te komen wie hij eigenlijk is en wat zijn rol in de muziekwereld is, spreken we hem in Den Bosch, enkele uren voor een concert van Physical Graffiti.

Elt werd in 1962 geboren in het Britse Doncaster en verhuisde op zijn 13e met zijn Britse vader en Nederlandse moeder mee naar Nederland, waar hij de middelbare school afrondde.

Als je destijds de muziek in wilde moest je óf naar het conservatorium, óf je moest een ‘echte’ studie gaan doen. Ik besloot Engels te gaan studeren omdat ik de taal al machtig was, maar kwam erachter dat als je muzikant wil worden, je eigenlijk gewoon moet beginnen. Ik besloot te stoppen met mijn opleiding en het erop te wagen. Na hier en daar al muzikaal bezig te zijn geweest belandde ik bij de band Gin on the Rocks, waarmee we in 1985 de Grote Prijs van Nederland wonnen.

Even later, in ’89, werd ik gevraagd als zanger in rockband Sleeze Beez en nog dat jaar brachten we het album Screwed Blued en Tattooed uit, wat leidde tot een contract bij Atlantic Records. Na een succesvolle periode in onder andere de VS kregen we begin jaren ’90 echter steeds meer last van de opkomst van de grunge. Onze laatste release werd daardoor overschaduwd.

Labels zijn altijd gevoelig voor nieuwe trends. Blijkt een nieuw genre populair te worden dan gaat iedere maatschappij op zoek naar soortgelijke artiesten om te binden. Ben je er geen onderdeel meer van, of verkoop je minder? Je ligt er meteen uit. Op die manier werd het contract met Atlantic Records opgezegd en uiteindelijk stopten we in 1996. In 2010 zijn we nog één keer bij elkaar gekomen om in het Gelredome het voorprogramma van Aerosmith te verzorgen. Zo hebben we het staartje van ‘ons’ genre nog kunnen meemaken.

Andrew Elt en Daniel Verberk

“Willen jullie een biertje?”, vraagt Andrew terwijl hij ontspannen verder praat en af en toe wat neuriet als het over muziek gaat. Na 35 jaar in de rock&roll is hij een door de wol geverfde en betrokken artiest en manager, met een sterke mening, veel kennis en een enorme liefde voor de muziek. Hij vertelt over het verhaal van Pete Ham, de zanger van Badfinger die zichzelf ophing nadat hij voor miljoenen was bedrogen door zijn manager.

Pete Ham was een muzikant die deed wat muzikanten doen: muziek maken. De zelfmoord was het resultaat van mensen die geld willen verdienen over de rug van anderen. De erkenning voor Pete in de ’27 Club’ staat wat mij betreft als een huis. Natuurlijk weet ik dat er mensen zijn die promotie en marketing moeten verrichten voor een band maar dit was puur bedrog. Ook al komt het niet meer voor op deze schaal; er zijn nog steeds managers die 15% vragen, vóór de onkosten. Schandalig.

Af en toe wordt er ook gewoon niet nagedacht. Zijn jullie weleens backstage bij Paradiso geweest? Absoluut mijn favoriete podium ter wereld trouwens, daar spelen voelt als thuiskomen. Je ziet nog goed dat het een oude kerk is. Er loopt daar een trap naar het podium, de ‘Stairway to Heaven’. De muur langs die trap was in de loop der jaren helemaal volgeschreven door alle artiesten die er hadden opgetreden, prachtig. De laatste keer dat ik er was zag ik dat ze de muur hebben meegenomen in een verbouwing. Ik kreeg bijna een hartverzakking. Tientallen jaren muziekgeschiedenis weggegooid zonder om te kijken.

Nadat Sleeze Beez in 1996 uit elkaar ging produceerde Elt met een van de gitaristen een album met de band The Moon, en vanaf 2000 raakt hij betrokken bij de Amerikaanse bluesgigant Walter Trout.

In dat jaar was er een festival in Venlo, waar ik woon. Naast dat ik vrijwillig stage manager was trad ik er zelf ook op. Trout speelde die dag ook en kwam na de tijd met me praten. “That was cool man!” Toen hij me even later op het podium bezig zag met het klaarzetten van de spullen voor de volgende band begreep hij er niks van, maar hij wilde wel mijn nummer.

Vier weken later belde hij en vertelde dat hij eigenlijk een nieuwe manager nodig had. Ik zei dat ik er wel een paar kende die ik eventueel voor kon stellen, maar hij vertelde dat hij al iemand wist. Ik vroeg hem waarom hij dan mij belde. “Because I want you, you’ve done that stuff before, right? Ik had het nog nooit gedaan, maar zei toch ja.

Ik heb altijd het onderscheid kunnen maken. Als manager heb je een rol en die houd je. Toen Trout in zijn maag zat met een paar nummers die goed een tweede stem konden gebruiken opperde één van de bandleden dat ik wel mee kon zingen. Ik zei dat het er niet uitziet; iemand die in de coulissen bezig is, een nummer komt zingen en weer weggaat. Walter tilde z’n shirt op, liet z’n buik zien en zei: dít ziet er niet uit! Zo belandde ik toch weer op het podium.

Het zingen, de aanmoediging van Walter en de reactie van het publiek zorgden ervoor dat het toch weer ging kriebelen bij Elt. Hij leerde Physical Graffiti kennen en besloot zich aan te sluiten. Bovendien is hij opnieuw bezig met zijn band The Moon, en onthult hij samen met een projectband bezig te zijn met een album, dat in 2014 uit moet komen.

Dat wordt een mild progressieve plaat met een laag bluesrock erover. We zijn een heel eind, de muziek is eigenlijk al af. Tegenwoordig moet je trouwens eerst een album inleveren voordat een label overweegt er wat mee te doen. Hoe we het gaan aanpakken weet ik nog niet precies, misschien wordt het eerst wel alleen een online release.

Je ziet wel dat er tegenwoordig meer over wordt nagedacht. Zo zie je op de rockacademie dat zaken als pensioen en het BTW tarief een onderdeel van de opleiding zijn. Op zich hartstikke goed dat het gebeurt, maar ik vraag me toch af in hoeverre het de muziek ten goede komt. Zou Muddy Waters een verdienmodel in zijn hoofd hebben gehad toen hij Mannish Boy schreef? Ik denk het niet. Zulke bands verdienden pas later geld. Uiteindelijk gaat het toch alleen om de muziek.

Met Physical Graffiti is het wat eenvoudiger omdat het natuurlijk alleen maar covers zijn. Toch gaat er veel tijd in zitten. Zo moet ik die nummers ontzettend vaak luisteren voordat ik Robert Plants’ unieke manier van zingen onder de knie heb. En dan heb ik het alleen nog maar over de zang. Vanwege ons Duitse boekingskantoor spelen we vaak bij de oosterburen, maar ik denk dat Nederland langzamerhand ook wel klaar is voor coverbands.

Physical Graffiti is inmiddels uitgegroeid tot één van de grootste Led Zeppelin coverbands van Europa. Andrew Elt’s zang en het ongelofelijk goede gitaarspel van Daniel Verberk in combinatie met de uitstekende bas, toetsen en drums zorgt ervoor dat Physical Graffiti in de buurt komt van Led Zeppelin zoals geen ander. In januari 2014 doen ze nog drie keer Nederland aan:

4 januari: Metropool, Hengelo

11 januari: de Kelder, Amersfoort

17 januari: Apollo, Emmen

Fotot’s (c) Sandra Leijtens

Deel: