Wie denkt dat Django Django alleen een band voor de dansvloer is, mag even gaan zitten. Het Londense viertal begon ooit op een kunstacademie in Edinburgh, kreeg in 2012 met het debuut meteen een Mercury Prize nominatie en liet sindsdien vooral een stortvloed aan ideeën los. Na het kleurrijke ‘Off Planet’ uit 2023 trekt de band zich nu terug op het Duitse platteland. Met Nick McCarthy van Franz Ferdinand achter de knoppen en Polly Ester voor de strijkers maakt Django Django zijn zesde album. Het gaat over verlies, rouw en herinneringen die langzaam vervagen.
De titel komt van een internetmythe over een Amerikaans stadje dat nooit op een kaart heeft gestaan, maar waar sommige mensen zweren te hebben gewoond. Dat geeft de plaat een denkbeeldige roadmovie als decor. Je rijdt door een landschap dat je nooit helemaal te pakken krijgt, met folk, blues en psychedelica als wisselende wegwijzers. Het klinkt vaag, maar het werkt verrassend goed. Het is Amerika gezien door Britse ogen, met de raampjes open en de radio een tikje te hard.
‘Cameos’ is de single en meteen een prima visitekaartje. Er zit een folkachtige zwier in, de strijkers doen denken aan de vroege jaren zeventig en de melodie blijft plakken. ‘Dirty Hotel Blues’ schuurt lekker met een vet bluesrockgroefje waar Primal Scream trots op zou zijn. ‘Feel Alright’ sluit de plaat af met een heel koor dat je bijna dwingt mee te zingen. Tussendoor gebeurt er genoeg. ‘Meteorite’ mondt uit in een golf van spacerock en ‘Quicksand’ leunt op een atonaal pianomotief. In ‘So Heavy’ duikt ineens een bijna jazzy fluit op en ‘Year of the Snake’ brengt Noord-Afrikaanse percussie mee. Op ‘Little Me’ klinkt een wazige samenwerking met Hak Baker, de enige gast op een plaat die verder zonder rij bekende namen toe kan.
De elektronica is grotendeels weggehaald. Gitarist Vincent Neff voert met zijn losse fingerpicking de boventoon en soms ontbreekt zelfs elke beat van drummer David Maclean. Daardoor ligt er een warme, wat dromerige deken over de nummers, ergens tussen Junip en The Byrds in. Dat de band zelf zegt terug te gaan naar de basis is deels waar, want de stijlsprongen blijven bestaan. Ze zijn alleen rustiger en minder gehaast.
Dat brengt meteen het zwakke punt aan het licht. Terwijl de plaat draait wil je steeds weten wat er daarna komt, maar een dag later weet je niet zeker welke nummers je wilt terugzetten. Het is een album dat je makkelijker geniet dan onthoudt. De hooks zijn aanwezig, de productie is uitnodigend, maar een echt onmisbaar moment ontbreekt nog.
Toch overheerst de lol. Django Django bewijst dat je met minder lawaai nog steeds veel kleur kunt maken, en dat een band na zes platen nog kan schuiven zonder zijn eigenheid te verliezen. ‘Doveland’ is geen revolutie, wel een plaat om op te zetten tijdens een lange rit richting een plek die misschien niet bestaat. En juist dat maakt het zo aangenaam om onderweg te zijn. (8/10) (Clouds Hill)
