Het was een van die avonden waarop de kalender loog: buiten hing nog de laatste, twijfelachtige warmte van een zomer die zichzelf niet meer geloofde, en tegen de tijd dat de eerste tonen door De Velinx klonken, voelde het al even goed als herfst. Bij aankomst stond de politie al bonnetjes uit te schrijven op het parkeerterrein, een FLC-quote had het niet beter kunnen verzinnen.
Want laten we eerlijk zijn: De Velinx is niet de plek waar je Fun Lovin’ Criminals verwacht. Een keurig cultuurcentrum, waar doorgaans de abonnementenvoorstelling of het kamerorkest schittert, geen New Yorkse funk-rapformatie op tournee als ‘Fun Lovin’ Criminals Orchestrated’. Toch stonden ze er, vrijdagavond 18 september.

De zaal was niet tot de laatste stoel gevuld, maar ook niet leeg, en die tussenstand gaf het geheel een vreemde geometrie: het podium leek bijna groter dan de ruimte waar het publiek zat. Band en begeleiders hadden zich helemaal achterin genesteld, met een kleine vijf meter kale planken voor zich, alsof ze zelf ook nog aan het uitvogelen waren hoe ze in dit decor pasten.

Nog opvallender was het publiek: weinig sleetse clubtrouw, vooral Tongeren zelf, technici, bouwvakkers, logistiek, een vleugje balie en misschien een togadrager uit het gerechtsgebouw, allemaal keurig op hun stoel. Je kon bijna raden wat Naim, Frank en Brian ervan dachten: als het doel was een onwaarschijnlijk nieuw publiek te bereiken, hadden ze dat deel van de missie hier alvast binnen.
Over dat ‘Orchestra’ in de tourneenaam kun je twisten: The DiFontaine Orchestra, aangevoerd door violiste-arrangeur Lizzie Boyce, bleek vooral een compact strijkersensemble met bassist en een percussionist annex saxofonist; het was eerder een kamerformatie dan een volwaardig orkest. Slim, in barre tijden voor livemuziek, en het werkte: Leiser, Benbini en Cortazzi kregen precies genoeg ademruimte om hun clubbangers een heel ander leven te geven.

Nieuw was die cinematische neiging niet. Met sideproject ‘Uncle Frank’ doken Benbini en Cortazzi eerder al dieper in diezelfde wereld, met het herontdekte ‘verloren album’ ‘The Soundtrack to a Musical’, een hommage aan Disney’s gouden jaren; door Benbini zelf omschreven als ‘Disneyland meets Al Green in Last of the Summer Wine’. Veelzeggend: dat album verscheen op ‘Make It Nice Records’, toevallig ook de titel van een nummer van deze avond.
De band opende meteen met een hoogtepunt. ‘Scooby Snacks’, ditmaal als ‘(20mg Redux)’, kreeg een nieuw jasje: de clubbanger bleek zich uitstekend te lenen voor een arrangement met méér adem, waarin de strijkers een open, luchtige laag onder de groove legden. Die groove bleef overeind, maar het voelde alsof de band in één klap verhuisd was van een bedompte kelder in de Bronx naar een dakterras met zicht op Central Park. Het publiek had meteen door waar het om ging.

Via een soepel en chic middenstuk: ‘Little Bit Further’, ‘Love Unlimited’, ‘Make It Nice’, ‘King of New York’, kwam het tweede hoogtepunt: ‘There Was a Time’, waarin gastzangeres Úna Palliser het overnam. Geen onbekende: de uit Cork afkomstige violiste en zangeres speelde eerder al voor onder meer Elbow, Julian Lennon en The Killers. Op het album ‘Loco’ drijft dit nummer op een sample van Wilma Burgess; live vulde Palliser die rol in, met precies de juiste, weemoedige toon. Een prachtige gitaarsolo verderop verwees elke valse nostalgie naar voormalig gitarist Huey definitief naar de vergetelheid: deze Criminals zijn de enige echte.
Na ‘Hot City Nights’, ‘All Across the Lands’, ‘Loco’ en ‘Shake It Loose’, waarbij het publiek eindelijk rechtstond, en het loom uitgesponnen ‘Lovers Rock’, volgde het laatste hoogtepunt: ‘Ballad of NYC’. De studioversie herbergt al fraaie strijkers, gedragen door een licht groovende wah-wah-gitaar en een dwingende beat, en dat pakte live uitstekend uit. De piano deed telkens denken aan een Dr. Dre-productie, terwijl de melodie met een knipoog verwees naar ‘Moon River’, Andy Williams’ versie van het nummer uit Breakfast at Tiffany’s. Weer een filmische verwijzing, alsof de band wilde onderstrepen dat die cinematische ambitie geen toeval was.

De encore was kort maar doeltreffend: eerst ‘The Fun Lovin’ Criminal’, een knipoog naar wie ze ooit waren, en dan een teder slot met hun cover van ‘We Have All The Time in the World’ van Louis Armstrong.
Conclusie: dit was, ondanks een zaal die niet tot de nok gevuld was en een overmaats podium, een bijzonder geslaagd optreden. Fun Lovin’ Criminals bewezen dat er, na dertig jaar clubbangers, nog een heel andere dimensie schuilt in hun repertoire, eentje die draait om ruimte, arrangement en, uiteindelijk, film. Van de herboren ‘Scooby Snacks’ via Úna Pallisers gastoptreden tot de cinematische zwier van ‘Ballad of NYC’: deze band liet zien veel meer in huis te hebben dan zwoele clubs uit de verhoudingen spelen. Een curieuze avond op een curieuze plek, die precies daardoor bewees waar ze nog steeds goed voor zijn.
