Jack White laat zich al jaren niet vangen door de gangbare regels van de muziekindustrie. Waar andere artiesten weken vooruit hypen met teasers en interviews, gooide de Amerikaan zijn nieuwe plaat halfstiekem het internet op, via een paar vervormde video’s op het YouTube-kanaal van zijn eigen label Third Man Records. Geen persconferentie, geen uitgebreide aankondiging, gewoon een albumhoes met een blauwe schedel op het lijf van een porseleinen jongetje en een titel die niemand had zien aankomen. ‘Frozen Charlotte’ is het zevende soloalbum van de man die ooit furore maakte met The White Stripes en die nooit is gestopt met breken met conventies.
De titel verwijst naar een negentiende-eeuws volksliedje over een meisje dat doodvriest omdat ze zich niet warm genoeg kleedde, en naar een goedkoop porseleinen poppetje uit de Victoriaanse tijd. Typisch White, die graag duistere Americana-folklore vermengt met blues en garage rock. Het beeldje dat de hoes siert maakte hij zelf, onderdeel van zijn eerste echte kunstexpositie in Londen. De man timmert dus niet alleen aan zijn muzikale weg, hij schildert, beeldhouwt en blijft intussen onvermoeibaar touren.
Muzikaal bouwt White voort op zijn vorige plaat ‘No Name’ uit 2024, die destijds gratis werd uitgedeeld in onopvallende witte hoesjes bij zijn platenwinkels. Daar zat al die ruwe, onversneden energie in die nu wordt doorgetrokken. Opener ‘G.O.D. And The Broken Ribs’ is een goed voorbeeld. Het nummer weigert simpelweg een refrein te hebben, het blijft hangen in twee akkoorden die als een sektarische preek terugkeren, terwijl White zijn tekst er half zingend, half rappend uitspuwt. Het is ongemakkelijk, dwingend en precies de reden waarom je naar Jack White luistert.
‘Derecho Demonico’ geeft daarna wat lucht. De ritmesectie, met Patrick Keeler op drums en Dominic Davis op bas, zakt in een soepele groove en White’s gitaarwerk wordt losser, meer glijdend dan hakkend. Bobby Emmett’s orgel voegt een laagje toe dat de plaat een bijna kerkachtige sfeer geeft, zonder dat het ooit braaf wordt. Op ‘Dollar Bill’ hoor je dat nieuwe, iets speelsere randje terug, met een tekst die draait om macht en schuld, gegoten in een verzengende gitaarsolo die White’s handtekening blijft.
De rest van de plaat houdt diezelfde lijn aan. ‘Thick As Thieves’ klinkt rauw en opgejaagd, ‘You’ll Never Fix Me’ is donkerder en meer ingetogen, terwijl ‘Neighbors Blues’ de plaat afsluit met precies het soort smerige, onversneden blues waar White zijn carrière op heeft gebouwd. Het is geen plaat die nieuwe wegen inslaat, het is een plaat die laat horen dat White weet wat hij goed kan en daar geen excuses voor maakt.
Maar het is de productie die opvallend is. White mixt zelf, en dat is op deze plaat te horen, in positieve en in minder positieve zin. Het geeft de nummers een levende, ongepolijste textuur, maar her en der zorgt het ook voor wat rommelige paneringen die niet iedereen zullen bekoren. Voor wie van gladde, opgepoetste rockmuziek houdt, is dit niet de plaat. Voor wie houdt van muziek die nog een beetje bijt, is dit precies goed.
Met ‘Frozen Charlotte’ bewijst Jack White voor de zevende keer dat hij niet van plan is rustig aan te doen. Het is geen plaat die de geschiedenisboeken zal herschrijven, maar wel een die laat horen dat de man nog altijd vuur in zijn vingers heeft. Rauw, eerlijk en zonder compromis, precies zoals we hem kennen. (8/10) (Third Man Records)
