Cheikh Ibra Fam, de Senegalese zanger en multi-instrumentalist die zes jaar lang de frontrijen van Orchestra Baobab versterkte, brengt met ‘Adouna’ zijn tweede internationale soloalbum uit via het Amerikaanse wereldmuziekLabel Cumbancha.
Het eerste dat opvalt als je ‘Xam Xam’ opzet, is de stem. Fam switcht moeiteloos tussen registers, en zijn kopstem is loepzuiver: geen falsetto als kunststukje, maar als expressief instrument, precies gedoseerd. Dat is vakmanschap van een andere orde. Fam noemt zijn tijd bij Orchestra Baobab transformatief, en schrijft de mentorrol toe aan figuren als Balla Sidibé en Issa Sissokho. Die school hoor je. Geïnspireerd door de nagedachtenis van Sissokho, de legendarische tenorsaxofonist van Baobab die in 2019 overleed, heeft Fam inmiddels zelf tenor op zich genomen. De blazers op ‘Adouna’ klinken alsof ze uit diezelfde traditie zijn voortgekomen: strak, muzikaal, zonder ooit over te gaan in showmannerij.
Fam begon de nummers op zijn thuisstudio op Réunion, met melodische ideeën, ritmische kaders en vocale arrangementen, voordat hij muzikanten uitnodigde uit Senegal, Gambia, Frankrijk, Rwanda, Canada en Réunion zelf. Dat nomadische productieproces heeft zijn weerslag op het geluid. ‘Adouna’ is hybride muziek in de meest letterlijke zin: kora, zouk en Angolese kizomba-ritmes naast mbalax, funk en soulmelodieën. Moderne ritmes gecombineerd met traditionele instrumenten als de kora en de talking drum. Het resultaat is muziek die exotisch genoeg klinkt voor een westers terrasje en herkenbaar genoeg om er niet over na te hoeven denken.
Dat is ook precies het probleem, en het is een probleem dat je eerlijk moet benoemen. Deze hybriditeit is een bewuste keuze, en een begrijpelijke, maar ze heeft haar prijs. Fam is in Europa en Noord-Amerika bekend via Putumayo-compilaties, via Cumbancha, via showcases in New York en New Orleans. Zijn song ‘Cosaan’ won in 2023 de prijs van de Académie Charles Cros voor beste Franstalige song. Dat zijn westerse erkenningen. In Senegal zelf, waar de luisteraar niets heeft aan de mondiale kruisbestuiving als zodanig en gewoon wil weten of het danst, staat de hybride artiest er anders voor. Wie voor iedereen schrijft, schrijft soms voor niemand specifiek.
Het openingsnummer ‘Gnou Mbollo’, Wolof voor ‘laten we ons verenigen’, combineert West-Afrikaanse tradities met diasporagrooves en trekt een lijn van Congo naar Panama en van Senegal naar Brazilië. Dat is geen retoriek, dat is geografie als compositieprincipe. ‘Xam Xam’ is het beste bewijs dat Fam op zijn best is als hij persoonlijk wordt: het nummer eert zijn oom en leermeester Coly Cissé en draait om kennis als erfgoed. De kora-lijnen zijn sierlijk zonder decoratief te worden. ‘Shabida’ confronteert de migratiecrisis zonder in slachtofferretoriek te vervallen, en dat lukt omdat Fam een zanger is die gelooft in wat hij zingt. Zijn Baye Fall-achtergrond, de soefi-broederschap die tolerantie en dienstverlening centraal stelt, geeft zijn teksten een morele coherentie die je bij veel tijdgenoten mist.
De blazers verdienen een aparte vermelding. Ze zijn onberispelijk: functioneel, warm, nooit opzichtig. Je hoort de Baobab-school.
‘Adouna’ duurt 38 minuten, en dat is aan de krappe kant voor wat het wil zijn. ‘Gondi’ en ‘Weurseuk’ zijn solide maar blijven aan de oppervlakte. Producer Hakim Abdulsamad, een Amerikaanse producer woonachtig in Rwanda, en mixers Jacob Edgar en Simon Walls in Vermont en Montreal hebben het album strak afgewerkt, misschien iets te strak. De randen zijn glad waar wat meer wrijving welkom zou zijn geweest. Een album over migratie, geloof en onzekerheid mag best een ruwe naad laten zien.
Fam bevindt zich tussen twee generaties. Ouder dan de Afrobeats-garde die Dakar momenteel domineert, jonger in zijn internationale ambities dan de oprichters van de mbalax. ‘Adouna’ is het beste bewijs dat die positie productief kan zijn, mits hij de verleiding weerstaat om de hybriditeit doel op zichzelf te laten worden in plaats van middel. De stem is er. De school is er. Het materiaal is er grotendeels ook. Nu nog de moed om de volgende keer iets minder te willen pleasen.
Voor wie een referentiepunt zoekt: luister naar hoe Youssou N’Dour op ‘The Guide’ uit 1994 de grens aftastte tussen Senegalese soul en wereldpubliek. Fam zit in dezelfde zoektocht, met minder risico maar ook minder spanning.(7/10) (Cumbancha)
