Toen ik Andy McCluskey van Orchestral Manoeuvres in the Dark sprak over de begindagen van zijn band, viel er één zin die bleef hangen. McCluskey lachte, en vertelde dat OMD vooral een liveband was geweest, en dat alles begon in een kelder. “In de begindagen van The Beatles had je The Cavern Club in Liverpool, maar in onze tijd had je ‘Eric’s Bar’ als een soort modern equivalent daarvan. Natuurlijk ook in een kelder.”

Dat zinnetje is een konijnenhol. Want Eric’s was geen voetnoot bij OMD, het was de plek zonder welke OMD simpelweg niet had bestaan, iets wat de band zelf inmiddels ruiterlijk toegeeft. En OMD was er maar één van. Echo & the Bunnymen, The Teardrop Explodes, Wah!, Frankie Goes to Hollywood, Dead or Alive, The La’s: een stoet bands die in de jaren tachtig de Britse hitlijsten zou bezetten, vond zijn oorsprong in dezelfde klamme ruimte aan Mathew Street, schuin tegenover de plek waar The Cavern had gezeten. De vraag die mij interesseert is niet wie er allemaal speelden. De vraag is waarom uitgerekend hier, in een stad die op dat moment economisch werd opgegeven, zoveel tegelijk ontstond.
Een stad aan de rand van de afgrond
Om Eric’s te begrijpen, moet je eerst begrijpen hoe kapot Liverpool was. Eind jaren zeventig stierf de haven waarop de hele stad gebouwd was. De werkloosheid op Merseyside liep ver boven het landelijke gemiddelde, en onder Margaret Thatcher werd in regeringskringen openlijk gesproken over “managed decline”, het beleidsmatig laten wegzakken van de stad in armoede. De Cavern, het podium van de Beatles, was in 1973 tegen de vlakte gegaan. De glorie lag achter de rug en de toekomst was afgesloten.
Juist dat bleek vruchtbare grond. In een uitgebreide reconstructie van die jaren, opgetekend bij de heruitgave van een verzamelbox over de Liverpoolse scène, legt Jayne Casey, zangeres van Big in Japan en een van de spilfiguren van die periode, het haarscherp uit. Liverpool heeft voor een kleine stad een enorme bohème-traditie, vertelde ze, iets wat je normaal alleen in een metropool als Parijs of New York vindt. En toen iedereen platzak was, generatie na generatie de dokken had verloren en je tweede generatie werkloos was, kwam je terecht in een niemandsland. Niemand wilde nog terug naar de haven of de fabriek. Wat overbleef, zo vatte ze het samen, was zelfexpressie, het enige dat de stad nog restte. Dat soort omstandigheden broedt uitvindingen uit.

De roos op de vuilnisbelt, om het zo te zeggen. Geen geld, geen werk, maar wel leegstand, tijd en een collectieve weigering om mee te zakken. Will Sergeant, de gitarist van Echo & the Bunnymen, herinnert zich in datzelfde relaas zonder een spoor van zelfbeklag. Je had vier pond op zak en je was dolblij. Het ging niet om geld, het ging erom bij de bende te horen en cool te zijn.
Een kelder, een platenzaak en een theehuis
Eric’s opende in oktober 1976 en werd genoemd naar de jazzsaxofonist Eric Dolphy, wat al iets verraadt over de smaak van de oprichters. De voornaamste daarvan was Roger Eagle, een Manchesterse platenverzamelaar en dj die eerder concerten had geprogrammeerd in het Liverpool Stadium, een oude boksarena waar David Bowie, Lou Reed en Captain Beefheart hadden gespeeld. Samen met Ken Testi en Pete Fulwell streek hij neer in een kelder aan Mathew Street.
Maar de kracht van die plek zat hem niet in de club alleen. Vlakbij, om de hoek aan Button Street, zat platenzaak Probe, gedreven door een andere sleutelfiguur, Geoff Davies. En even verderop lagen de Armadillo Tea Rooms. Pete Wylie, later het brein achter Wah!, vatte de geografie in datzelfde verhaal samen in één woord. De driehoek, noemde hij het, de plek waar mensen werden gevonden in plaats van verloren.
In die driehoek gebeurde het werk. De Armadillo was de controlekamer, vertelde Casey in dezelfde reconstructie, waar bands, fanzineschrijvers en kunstenaars urenlang rond één pot thee hingen, ideeën en bandleden uitwisselden. De Teardrops aan de ene tafel, de Bunnymen aan de andere, zij aan een derde. Probe was de leerschool, berucht om het meedogenloze elitarisme van het personeel, met de latere Dead or Alive-zanger Pete Burns als gevreesde smaakrechter achter de toonbank. En Eric’s, ten slotte, was de enige bestemming zodra de andere twee gesloten waren.
De man die zei dat je The Beatles moest vergeten
Roger Eagle is het kloppende hart van dit verhaal, en niet omdat hij een goede zakenman was, want dat was hij allerminst. Hij was een fanaticus die muziek programmeerde omdat hij niet anders kon. Via zijn boekingen en zijn legendarische jukebox, volgepropt met blues, soul, rockabilly, reggae en jazz, gaf hij een hele generatie een muzikale opvoeding. Iedereen die uit Eric’s kwam, praat daar nog over.
Eagle haalde de grote namen van het moment naar de kelder. De Sex Pistols speelden er hun enige Liverpoolse optreden, en ook The Clash, de Ramones, Talking Heads, Joy Division en The Fall stonden op dat lage podium. Het cruciale was niet zozeer wíé er speelde, maar wie er in het publiek stond. Toen The Clash er in 1977 optrad, vertelde Wylie later, probeerde iedereen daarna een band te beginnen, en zesentwintig of zevenentwintig van hen werden ook nog succesvol. Het was tijdens precies zo’n Clash-concert, op 5 mei 1977, dat Ian McCulloch, Julian Cope en Pete Wylie besloten samen te gaan spelen als The Crucial Three. Die band hield het geen twee maanden vol, maar uit de scherven ervan kwamen zowel Echo & the Bunnymen als The Teardrop Explodes voort.

En dan is er het verhaal dat alles samenvat, verteld door Casey. Eagle riep haar, McCulloch en Wylie op een dag bij zich, iets wat hij nooit deed. Hij hield hun voor dat ze móésten ophouden met The Beatles te luisteren, en dat als ze het tóch deden, het voorbij was. Bedenk wat dat betekent. In de stad van de Beatles, in een kelder schuin tegenover de gesloopte Cavern, was de eerste les dat je de grootste erfenis ter wereld van je af moest schudden. Daar zit de paradox van Liverpool. De scène werd niet gebouwd op die erfenis, maar in bewust verzet ertegen. We staan niet in de schaduw, verwoordde Wylie, we staan ernaast.
Het einde, en wat bleef
Op vrijdag 14 maart 1980 viel de politie Eric’s binnen en sloot de club voorgoed. Officieel ging het om een drugsinval, maar wie er regelmatig kwam, geloofde daar weinig van. Volgens betrokkenen had de politie het simpelweg gemunt op de vreemd uitgedoste jeugd die er samenkwam. Wah! Heat stond die avond op het podium, in het voorprogramma van The Psychedelic Furs, terwijl Sergeant en Casey in het publiek stonden. De financiële houdbaarheid van de club was toch al wankel; Eagle bleef optredens programmeren die hij niet kon betalen, vastbesloten om door te gaan totdat hij erbij neerviel.
De kelder ging dicht, maar het werk was af. Tegen 1980 had de scène zich vertakt en verspreid, weg van het knooppunt aan Mathew Street. Vier jaar later stond de halve Britse top veertig vol met Liverpoolse namen. McCluskey herinnert zich nog hoe verbaasd hij was dat OMD in 1979 zijn allereerste handtekening uitdeelde, daar in Eric’s, en dat de club hem voor het eerst betaalde, met een half kratje bier.

Roger Eagle stierf in 1999, vrijwel zonder geld. Zijn platencollectie werd stuk voor stuk verkocht om optredens te kunnen blijven betalen. Hij heeft nooit een cent verdiend aan de carrière die hij op gang bracht. Maar voor de huidige generatie Liverpoolse muzikanten is het niet de Magical Mystery Tour die telt, maar de les van Eric’s. Casey, inmiddels zelf een drijvende kracht achter de onafhankelijke cultuursector van de stad, verwoordt die les nog altijd het scherpst: gebeurt er niets, doe het dan zelf. Zet je eigen platenlabel op, je eigen club, je eigen podium. Het is, uiteindelijk, wat een hele lichting kinderen zonder perspectief in een afgeschreven stad besloot te doen. Ze maakten van de vuilnisbelt een tuin.
De uitspraken van Jayne Casey, Pete Wylie en Will Sergeant in dit stuk zijn ontleend aan een eerder gepubliceerde reconstructie van de Liverpoolse muziekscene, samengesteld rond de verzamelbox ‘Revolutionary Spirit: The Sound of Liverpool 1976-1988′ (Cherry Red Records, 2018). De woorden van Andy McCluskey komen uit een eerder interview met Maxazine.
Foto’s op volgorde; OMD, Madness, Ramones, Psychedelic Furs (c) Screenshots Youtube
