Wie Christian McBride op een podium ziet staan, ziet een bassist die weinig te bewijzen heeft en toch niet stilstaat. Met ‘Points of Light’, het debuutalbum van zijn nieuwe kwintet Ursa Major, kiest hij opnieuw voor de rol van gastheer, en het feest dat hij organiseert is uitnodigend, behoorlijk beweeglijk en soms net wat te gladgestreken.
McBride werd in 1972 in Philadelphia geboren en groeide uit tot een van de meest gevraagde bassisten van zijn generatie. Hij speelde met Herbie Hancock, Sting en The Roots, won meerdere Grammy’s en presenteert daarnaast radioprogramma’s over jazz. Zijn bands lopen uiteen van straight ahead tot big band en funk. Voor Ursa Major zocht hij sinds 2022 bewust jonge muzikanten bij elkaar: saxofoniste Nicole Glover, gitarist Ely Perlman, pianist Mike King en drummer Savannah Harris. Hij noemt het zelf een hybride band, en het album is volgens hem een verlengstuk van vier jaar optreden. Producer Terrace Martin, bekend van werk met Kendrick Lamar en Hancock, voegde synthesizers, vocoder en een vleugje studiomagie toe.
Het album opent met ‘Sakura’, een compositie van Glover. Het stuk zweeft zonder uitgesproken ritme, met haar tenor als gids en synthesizers die de ruimte vullen. Het is een mooie, bijna meditatieve opening, maar ze zet de luisteraar bewust op het verkeerde been. Want daarna bruist het. ‘Two Check’ en ‘Cows’ zetten in op groove en speelsheid, met King die een gestructureerde, virtuoze pianosolo laat horen en Harris die het tempo voortdurend verlegt zonder het overzicht te verliezen. In ‘Familiar Steps’ lopen McBrides bas en Perlmans gitaar als twee oude vrienden naast elkaar, waarbij de bassist beurtelings elektrisch en akoestisch speelt.
Wat opvalt is hoe gul McBride met de ruimte omgaat. Hij speelt niet de hoofdrol, maar geeft zijn medemuzikanten steeds de gelegenheid zich te laten horen. Daardoor krijgt het album een collectieve warmte die zelden vanzelfsprekend is bij een bandleider van zijn statuur. ‘A Morning Story’ is een mooi, maar vertrouwd klinkend stuk dat net iets minder indruk maakt, en ‘Orquíeda’ brengt een Latijnse kleur die het geheel aangenaam verbreedt. Als afsluiter kiest de band voor George Duke’s ‘No Rhyme, No Reason’ uit 1992, waarin sprankelende pianoakkoorden, vocoder en McBrides ronde toon een zwevend slot vormen.
Niet alles overtuigt even sterk. De productie maakt de stilistische verschillen tussen de muzikanten soms kleiner dan nodig en geeft enkele stukken minder richting dan je zou willen. Wie op zoek is naar scherpe randen of onverwachte breuken, vindt die hier maar mondjesmaat. De neiging om alles toegankelijk te houden is groot, en dat gaat af en toe ten koste van spanning.
Toch blijft het eindresultaat bijzonder aantrekkelijk. ‘Points of Light’ is een plaat met een open hart, gedragen door jonge spelers die zich niets laten voorschrijven en een leider die weet wanneer hij moet terugtreden. Het is geen revolutie, wel een elegante en warme uitnodiging om de toekomst van de jazz even van dichtbij te bekijken. (8/10) (Mack Avenue Records)
