Wie Jeff Goldblum alleen kent als acteur (Jurassic Park e.a.), kreeg dinsdagavond een tweede beeld van hem te zien. Met The Mildred Snitzer Orchestra stond hij op het podium als pianist, presentator en filmkenner. Voor er muziek klonk, deed hij eerst een grappige filmquiz met de zaal. ‘Magnolia’, ‘Marathon Man’, ‘Top Gun’ en ‘The Pink Panther’ passeerden de revue, net als Tom Cruise, Dustin Hoffman, Roy Scheider en Val Kilmer. Goldblum liet het publiek filmtitels en acteurs roepen en pikte daar telkens moeiteloos op in. Pas daarna begon de band aan een set met standards, Broadwaynummers en enkele verrassende keuzes. Een muzikale reis die aanvoelde als een luxueuze cruise door het Great American Songbook. De prachtige Koningin Elisabethzaal in Antwerpen was zo goed als uitverkocht.

Kaley Johnson opende het vocale gedeelte met ‘Let’s Face the Music and Dance’ van Irving Berlin. Meteen zat de zaal in de sfeer van de grote ballroomorkesten uit de jaren dertig. Het Hammondorgel gaf het nummer een warme onderlaag, terwijl Johnson het Broadwaygevoel naar voren bracht.

Met ‘If I Only Had a Brain’ uit ‘The Wizard of Oz’ bleef Goldblum dicht bij zijn liefde voor de Amerikaanse filmgeschiedenis. Het uptempo swingarrangement hield het tempo hoog en vormde een natuurlijke overgang naar ‘The Cat’ van Lalo Schifrin, het eerste echte instrumentale hoogtepunt van de avond. Hammondorgel en saxofoon trokken het nummer bijna volledig naar zich toe, terwijl piano en orgel het thema regelmatig samen speelden. Bij de laatste themaherhaling begon de zaal spontaan mee te klappen, voor de tweede keer veranderde het publiek van luisteraar naar deelnemer.

Na die uitbundigheid bracht Manhattan meer rust. De melodie kreeg opnieuw ruimte en de contrabas en drums hielden het geheel bewust klein. Het tempo zakte zonder dat de aandacht verslapte.
‘The Kicker’ van Joe Henderson trok de avond daarna opnieuw open. De gitarist kreeg de langste solo van de set, gevolgd door Hammondorgel, drums en saxofoon. De opeenvolging van de solo’s gaf het nummer voortdurend nieuwe energie zonder dat de band het gezamenlijke ritme verloor.

Na een luchtige grap over België en de Verenigde Staten sloeg de sfeer opnieuw om. ‘Bewitched, Bothered and Bewildered’ bracht het concert in een meer romantische fase: de zang kreeg meer ruimte, de begeleiding bleef bewust ingetogen, en het was muziek die eerder uitnodigde om te luisteren dan om mee te klappen. Dat contrast werd meteen daarna doorbroken met ‘Tattoo’ van Loreen, misschien wel de grootste verrassing van de avond. De popsong kreeg een volledig nieuw jasje en klonk alsof ze altijd al voor een jazzorkest was geschreven. Johnson sloot af met een korte scatpassage die een van de luidste applausmomenten van de avond opleverde.

‘Mean to Me’, ‘Over the Rainbow’ en ‘Misty’ hielden die warme, intieme sfeer vast. Goldblum verliet voor ‘Over the Rainbow’ zelfs zijn piano om zelf te zingen. Zijn stem heeft een eigen karakter die we niet zo dikwijls terughoren in de jazzwereld.

‘Every Time We Say Goodbye’ voelde als een logisch afscheid. De brushes op de drums, de zachte begeleiding en de harmonieën van Cole Porter brachten de avond rustig tot stilstand.
Dat bleek echter nog niet het einde. Tijdens het bisnummer ging de rem opnieuw los. Vooral saxofonist, Hammondorganist en gitarist kregen nog één keer alle ruimte. Hun laatste solo’s vormden een energieke afsluiter van een concert dat begon met humor, onderweg verschillende keren van kleur veranderde en uiteindelijk eindigde met een combinatie van nostalgie, romantiek en speelplezier.

Jeff Goldblum probeerde nergens de grootste pianist van de jazzwereld te zijn. Hij koos voor een andere rol. Hij bracht een groep sterke muzikanten samen, gaf hen ruimte en hield de avond als verteller en presentator bijeen. Daardoor voelde het concert minder als een opeenvolging van losse nummers en meer als een zorgvuldig opgebouwde avond waarin swing, Broadway en jazzstandards elkaar vanzelf afwisselden.
Foto’s (c) Vic Geurts
