Met ‘Typisch Sportivo, Een halve eeuw Gruppo Sportivo’ levert sportcommentator en muziekauteur Leo Oldenburger een geautoriseerde jubileumbiografie van de Haagse band, uitgebracht door Spectrum bij het vijftigjarig bestaan en de definitieve afscheidstour van 2026. Het is een boek dat heerlijk wegleest, dat de Nederpop in al zijn dwarsverbanden zichtbaar maakt, en dat tegelijk precies zo veel ambitie toont als de band zelf altijd had: net niet helemaal wat je hoopte.
Oldenburger is open over zijn positie. In de verantwoording achterin schrijft hij dat hij Hans Vandenburg en Max Mollinger al sinds 1988 kent, toen Vandenburg producer werd van zijn eigen bandje The Charlies. Vandenburg vroeg hem zelf, anderhalf jaar geleden, of hij dit verhaal wilde optekenen. Dat maakt ‘Typisch Sportivo’ geen onafhankelijke biografie maar een geautoriseerd portret. Wie dat kader accepteert, krijgt veel terug. Wie een onverstoorbare buitenstaander zoekt, moet ergens anders zijn. Oldenburger schreef eerder over Mariska Veres, André Hazes en Henny Vrienten, en weet hoe je een muzikantenleven in een leesbaar verhaal vouwt. De toon is lichtvoetig, schalks, met liefde voor de wisecracks van de band zelf. Het openingshoofdstuk heet ook gewoon ‘Typisch Sportivo’: een band waar het, in Vandenburgs woorden, “nooit goed is of het deugt niet.”
De grootste verdienste van het boek zit verstopt in de anekdotes zelf. Wie ‘Typisch Sportivo’ achter elkaar leest, leest tussen de regels door een dwarsdoorsnede van de Nederlandse popscene van de afgelopen halve eeuw. Robert Jan Stips loopt door alle zijdeuren naar binnen, als producer en als getuige. Aad Link duikt op vanuit de Supersister- en Golden Earring-as, op weg naar zijn rol als manager van Nits. Cesar Zuiderwijk staat in het dankwoord, naast Frédérique Spigt en Frits Spits. Het beeld dat ontstaat is dat van de Nederlandse popscene als kennisclub, een netwerk waarin iedereen via twee tussenstations met iedereen verbonden is. Voor lezers boven de vijftig is dat een feest van herkenning. Voor jongere lezers is het een blauwdruk die elders niet zo makkelijk te vinden is. Op detailniveau levert Oldenburger ook degelijke muziekhistorische plaatsing. Op het Reading Festival van 1978 deelt de band het affiche met The Jam, Ultravox, Squeeze, Patti Smith en de Tom Robinson Band, en in de Album Top 100 van datzelfde jaar staat ‘Back To 78’ op een nette 69ste plek, een paar plaatsen achter ‘Shpritsz’ van Herman Brood. De parallel met Brood loopt dieper door het boek heen, met dank aan zangeres Lies Schilp, die bij beide bands speelde: bij Brood waren de achtergrondzangeressen er voor de oeh’s en aah’s, bij Gruppo zongen ze af en toe gewoon mee. En, schampert Lies, “De Wild Romance was veel minder wild dan Gruppo.” Gruppo had de neuzen in de boeken, niet in de cocaïne.
En dan het tegengeluid. ‘Typisch Sportivo’ is als thema goed gekozen, maar de term doet in dit boek dubbel werk. Hij beschrijft hoe het er in de praktijk aan toegaat: de Italiaanse documentaire die nooit op tijd in Nederland aankomt, de dvd ‘Career Movies’ die overal verkeerd gespeld staat als ‘Career Moves’. Maar het is ook een excuus geworden, een verklaring die buiten henzelf ligt. Tegenslag wordt niet iets wat je analyseert, het wordt iets wat je een naam geeft, zodat je er niet meer aan hoeft te denken. Dat is jammer, want onder die zelfspot hoort de aandachtige lezer iets door wat op verbittering lijkt. Vandenburg klaagt halverwege het openingshoofdstuk dat mensen denken dat de band maar twee albums heeft gemaakt. Hij brengt terloops in stelling dat zijn eigen biografie in 2010 werd overschaduwd door een Arnon Grunberg-boek bij dezelfde uitgever. Het ambitieniveau lag hoger dan het podium dat Gruppo uiteindelijk kreeg. Op 31 mei 1979 staat in een aantal regionale dagbladen de kop GRUPPO SPORTIVO HOUDT ERMEE OP. Mollinger geeft het pragmatische motief: ze hadden moeiteloos een derde elpee in het Sportivo-idioom kunnen maken, maar de eerste plaat voor de duizendste keer spelen op het podium ging hun de neus uit. Dat verklaart de uitvoering, niet de motivatie. De vraag wat er in 1979 echt door Vandenburgs hoofd ging toen hij de band op het hoogtepunt ontbond, wordt niet doorgevraagd.
Wie een grondige analyse zoekt van de plek van Gruppo Sportivo in de geschiedenis van de Nederrock, komt zo bezien deels bedrogen uit. Oldenburger heeft de details, de bronnen en de getuigen, maar maakt er geen synthese van. Een hoofdstuk waarin de band tegen Doe Maar wordt gehouden, of tegen Brood en Earring, ontbreekt. De erfenis blijft impliciet. Het mooiste hoofdstuk is uiteindelijk dat over Peter Calicher, de toetsenist die op 1 april 2024 overleed. Broer Guus vertelt hoe Peter, wetend dat hij ziek was, zelf de twaalfjarige Len de Quant aan het inwerken was als zijn opvolger. “Wat een flauw Hollywood-filmscript,” dacht hij in eerste instantie. Het is door zulke passages dat ‘Typisch Sportivo’ meer is dan een feestnummer voor de afscheidstour.
Want dat is waar het boek werkelijk toe doet. Gruppo Sportivo kondigt zijn eigen einde aan, en bands die dat doen zijn in de Nederpop een zeldzaamheid. De meeste collega’s lossen langzaam op, drogen in, of blijven doorgaan tot er niemand meer komt kijken. Vandenburg en de zijnen zetten een grenspaal in het veld: tot hier en niet verder. Dit boek is het bijbehorende monument. Het is geen definitieve plaatsbepaling van de band in de Nederlandse popgeschiedenis, dat blijft nog te schrijven. Maar het is een warm, eerlijk, soms ontroerend en altijd onderhoudend afscheidscadeau. Op dit moment is dat misschien ook precies wat het wil zijn. (7/10) (Spectrum)
