Stel je voor: een schaars verlichte studio in Reykjavik, een rechtopstaande piano, en een pianiste die een gesprek voert met iemand die er niet meer is. Dat is de kern van ‘Jóhann Jóhannsson: Piano Works’, het meest intieme en onverwachte album dat Alice Sara Ott tot nu toe heeft uitgebracht. Verschenen op 6 maart 2026 via Deutsche Grammophon, is het een eerbetoon aan de IJslandse componist Jóhann Jóhannsson, die in februari 2018 overleed op 48-jarige leeftijd, op het hoogtepunt van zijn kunnen.
De Duits-Japanse pianiste, die haar loopbaan begon als wonderkind en inmiddels uitgroeide tot een van de meest gestreamde klassieke pianisten ter wereld, had Jóhannsson nooit persoonlijk ontmoet. Dat gegeven maakt dit project tegelijkertijd zo onwaarschijnlijk en zo bijzonder. In plaats van de man te kennen, leerde ze zijn muziek kennen van binnenuit, via gesprekken met zijn vrienden en medewerkers, en via de dertig transcripties die Faber Music voor dit project uitgaf.
Het verhaal begint eigenlijk bij een piano. Niet de glanzende concertvleugel die je van Ott normaal gesproken verwacht, maar een oud, licht versleten rechtopstaand instrument dat toebehoort aan producent en geluidstechnicus Bergur Þórisson, een voormalig medewerker van Jóhannsson zelf. Het geluid van die piano, gedempter en wat brozer dan haar gebruikelijke gereedschap, geeft het album meteen zijn karakter: nostalgie als klankkleur, herinnering als akoestisch fenomeen. Ott beschreef de opnamesessies als het gevoel alsof ze zich binnenin een wolk bevond, wat precies klopt als omschrijving van wat de luisteraar ervaart. Jóhannsson schreef zijn muziek voor orkesten, koren, synthesizers en elektronische lagen. Hij was een componist die grenzen tussen klassiek, minimalisme, ambient en filmmuziek bewust negeerde. De vraag die dit album stelt, is dan ook niet vrijblijvend: wat blijft er over als je al die lagen weghaalt en alleen de piano laat?
Het antwoord is verrassend veel. ‘The Sun’s Gone Dim and the Sky’s Turned Black’, de langste track van het album met bijna vijf minuten, is het beste bewijs. Het stuk, oorspronkelijk gebaseerd op een gedicht van John Grant, klinkt in Otts versie alsof de wereld even op adem komt. Haar aanslag is terughoudend maar nooit koud, en juist in de stiltes tussen de noten openbaart zich de architectuur van Jóhannssons schrijfwijze. Wie de naam Jóhannsson niet kent maar wel films als ‘Arrival’ of ‘The Theory of Everything’ heeft gezien, herkent hier onmiddellijk de onrust en melancholie die zijn filmmuziek zo onmiskenbaar maken. Het laatste stuk staat ook op dit album en is een uitstekend instappunt voor nieuwe luisteraars.
De segmenten gebaseerd op ‘Englabörn’, Jóhannssons debuutalbum uit 2002, vormen een sterk blok halverwege het album. Titelnummer ‘Englabörn’ zelf, maar ook ‘Jói & Karen’ en ‘Bað’ tonen aan hoe zijn vroege, sobere composities al alles bevatten wat hem later groot maakte. ‘Flight from the City’, eveneens bijna vijf minuten, is het dichtstbijzijnde dat dit album heeft aan een emotionele climax, en Ott speelt het met een kalmte die des te indringender aankomt.
Dertig nummers in iets meer dan driekwartier betekent dat veel stukken de twee minuten niet halen. Dat is een bewuste keuze, passend bij het fragmentarische karakter van veel filmmuziek, maar het zorgt er ook voor dat het album bij minder geconcentreerd luisteren snel langs je heen glijdt. ‘Ruslpóstur’ verdwijnt bijna voor hij begonnen is. Dat is geen fout van Ott, maar van de formule: een selectie van dertig miniaturen vraagt om een andere luisterhouding dan een traditioneel recitalprogramma, en dat vereist van de luisteraar ook iets.
Bovendien is dit album nadrukkelijk een interpretatie, geen compositie. Ott speelt virtuoos maar bescheiden, en dat is juist haar kracht hier. Wie echter op zoek is naar de volle, meeslepende productie van het originele ‘Orphée’ of de filmische spanning van ‘Sicario’, zal hier iets missen. Dat is dan ook niet wat dit album wil zijn.
‘Jóhann Jóhannsson: Piano Works’ is een album over aanwezigheid in afwezigheid. Alice Sara Ott heeft geen postuum monument gebouwd, maar iets persoonlijkers: een gesprek dat ze zelf aanging, op een versleten instrument, in een donkere studio in de stad waar Jóhannsson opgroeide. Het resultaat is ingetogen, eerlijk en opvallend mooi. Of Jóhannsson ermee ingestemd zou hebben? Dat weet niemand. Maar het klinkt alsof hij tenminste aanwezig was. (9/10) (Deutsche Grammophon)
