Er zijn bands die je vanaf het eerste moment intrigeren, en er zijn bands die langzaam onder je huid kruipen tot je beseft dat je niet meer zonder kunt. Dry Cleaning behoort onmiskenbaar tot die tweede categorie. Het Londense viertal heeft met hun derde album ‘Secret Love’ een werk afgeleverd dat niet alleen hun meest gelaagde productie tot nu toe is, maar ook een overtuigend bewijs dat spoken word post-punk nog lang niet is uitgespeeld. Wie hun doorbraaksingle ‘Scratchcard Lanyard’ kent, met die beroemde regel over de ‘Tokyo bouncy ball’, weet dat Florence Shaw en haar kompanen het alledaagse kunnen transformeren tot iets buitengewoons.
Sinds hun debuut ‘New Long Leg’ uit 2021 en de snelle opvolger ‘Stumpwork’ een jaar later, hebben Dry Cleaning zich gevestigd als voorlopers van wat wel de ‘sprechgesang-golf’ wordt genoemd: bands die gesproken tekst combineren met strakke, hoekige postpunkgitaren. De opwinding rond ‘Stumpwork’, dat destijds door velen als geniaal werd bestempeld, is inmiddels wat getemperd. Maar waar sommige bands onder die afnemende hype zouden bezwijken, kiest dit viertal, bestaande uit zangeres Florence Shaw, gitarist Tom Dowse, bassist Lewis Maynard en drummer Nick Buxton, voor verdieping. En die verdieping hebben ze gevonden: ‘Secret Love’ is opnieuw een ijzersterk album geworden.
De belangrijkste verandering voor dit derde album was de keuze voor een nieuwe producer. Na twee platen met John Parish (bekend van zijn werk met PJ Harvey) opteerden ze nu voor de Welshe muzikante Cate Le Bon, zelf een gerespecteerde artiest met een eigen kenmerkend geluid. Het is prima dat de band deze stap zet en nieuwe samenwerkingen zoekt, maar laten we het genie van Parish niet vergeten: hij was het die Dry Cleaning in hun kracht zette en het fundament legde waarop ze nu verder bouwen. Zonder zijn werk aan ‘New Long Leg’ en ‘Stumpwork’ had deze band nooit kunnen staan waar ze nu staat.
De ontmoeting met Le Bon gebeurde toevallig: tijdens het Pitchfork Music Festival in Chicago in 2022 werden ze backstage begroet door Wilco-frontman Jeff Tweedy, die hen uitnodigde naar zijn studio The Loft. Daar was Le Bon net bezig met de productie van Wilco’s ‘Cousin’. De vonk sloeg over, en wat volgde was een intensieve samenwerking in Black Box Studios in de Loire-vallei in Frankrijk. Le Bons invloed is overal voelbaar zonder de band te overschaduwen. Waar de eerste twee albums werden gekenmerkt door een zekere insulaire, pandemie-gerelateerde atmosfeer, ademt ‘Secret Love’ meer ruimte en licht. De productie is weelderiger maar blijft intiem, een combinatie die voor deze band een risico had kunnen zijn maar juist uitpakt als hun sterkste troef.
Florence Shaw blijft de constante factor en het kloppende hart van Dry Cleaning. De voormalig illustratiedocente, die pas op haar midden dertig zonder enige bandervaring bij het project kwam, heeft een unieke stem ontwikkeld die ergens zweeft tussen beat-poëzie en alledaags commentaar. Haar teksten bestaan vaak uit fragmenten: opgevangen gesprekken, aantekeningen op haar telefoon, observaties van advertenties en het internet. Op ‘The Cute Things’ beschrijft ze tweelingen in een impasse: ‘We’re meant to be from the same egg, but you confuse me.’ Het is precies die mix van het herkenbare en het absurde die haar werk zo dwingend maakt.
Het titelnummer ‘Secret Love (Concealed in a Drawing of a Boy)’ toont Shaw op haar meest melodieuze. Ze experimenteert steeds vaker met zingen in plaats van spreken, wat voor sommige critici een minpunt is – haar zangpartijen kunnen wat aarzelend klinken – maar wat tegelijkertijd een kwetsbaarheid toevoegt die de band menselijker maakt. De titeltrack zelf bevat observaties die typisch Dry Cleaning zijn: ‘New York has been pretty good / We have a couple of days left and as yet I have seen no one famous.’ Het is deze combinatie van het mundane en het poëtische die de band onderscheidt van hun tijdgenoten.
Opener ‘Hit My Head All Day’ is met ruim zes minuten een van de langste nummers die de band ooit heeft gemaakt. Het begint met een meedogenloze drumloop die doet denken aan Iggy Pops ‘Nightclubbing’, terwijl Maynard zijn innerlijke Tina Weymouth channelt. Shaw levert enkele van haar droogste, grappigste regels: ‘When I was a child / I wanted to be a horse.’ Het is een statement of intent dat duidelijk maakt dat deze band niet van plan is zichzelf te herhalen.
Maar het absolute hoogtepunt van dit album is zonder twijfel ‘My Soul / Half Pint’. Wat een heerlijk nummer. Jeff Tweedy draagt bij met gastgitaar, en zijn elastische gitaarlijnen dansen als een dweil en stofzuiger door het stereobeeld, toepasselijk voor een nummer over de ergernissen van huishoudelijk werk. Maar het is de bas van Lewis Maynard die hier de show steelt. Wat een geluid. De manier waarop die baslijnen door het nummer kronkelen, hoe ze de ruimte vullen zonder te overheersen, hoe ze het ritme zowel dragen als uitdagen – het is niets minder dan magistraal. Dry Cleaning heeft op dit album een bassound ontwikkeld die voor veel inspiratie zal zorgen op komende albums van andere artiesten. Mark my words: over een paar jaar horen we deze invloed terug bij talloze bands.
‘Blood’ vormt het emotionele middelpunt van het album, met Le Bons dynamische productie die de misantropische paranoia die door het nummer stroomt perfect onderstreept. De jangly gitaren ondersteunen Shaws opaque observaties over sterfelijkheid en diepe schokken in het lichaam. Elders levert ‘Rocks’ een van Dowses rauwste, meest noise-achtige gitaarpartijen, gecombineerd met een industriële snare die zelfs de vroege EP-periode van de band te ver zou zijn gegaan.
Een bijzondere vermelding verdient ‘Let Me Grow and You’ll See the Fruit’, een prachtig folkachtig nummer dat doet denken aan de Bristolse band Movietone en langzaam ontluikt tot een verwoestend portret van eenzaamheid. Het toont hoe veelzijdig de band is geworden. Het album sluit af met ‘Joy’, een zeldzame, heldere uitbarsting van optimisme die aanvoelt als hard verdiend in plaats van naïef. Als Shaw de luisteraar vraagt om ‘not to give up on being sweet’, bereikt het album een soort gratie.
Geen album is perfect, en ‘Secret Love’ vormt daarop geen uitzondering. Sommige critici wijzen erop dat ‘Cruise Ship Designer’ wat momentum verliest en zijn speelduur niet volledig rechtvaardigt. De gezongen refreinen, hoewel charmant in hun kwetsbaarheid, overtuigen niet altijd; Shaw is op haar sterkst wanneer ze in haar beat-poëet-modus opereert. En hoewel Le Bons productie over het algemeen wordt geprezen, vinden sommige luisteraars de keuzes aan de veilige kant vergeleken met wat de band eerder deed. Toch zijn dit kleinigheden in het grotere plaatje.
Dit is geen album dat iemands mening over Dry Cleaning zal veranderen, maar voor degenen die al fan waren, is het een hele nieuwe verzameling schatten om te ontdekken. ‘Secret Love’ is het bewijs dat Dry Cleaning niet zomaar een novelty-act was die snel zou vervagen. De opwinding rond ‘Stumpwork’ mag dan wat zijn geluwd, deze band antwoordt met verdieping in plaats van herhaling. Drie albums in bewijzen ze dat hun unieke formule – Shaws stream-of-consciousness-observaties over strakke postpunk-arrangementen – eindeloos rekbaar is. De band heeft hun oorspronkelijke mogelijkheden overstegen, hun initiële novelty-waarde achter zich gelaten en beweegt zelfverzekerd naar nieuwe ruimtes. Hun eigenzinnige opstelling blijkt eindeloos elastisch te zijn: zo groot als ze willen, zo klein als ze nodig hebben om de chaos van de wereld te vangen. Met dank aan het fundament dat John Parish legde, en met de frisse energie die Cate Le Bon toevoegt, heeft Dry Cleaning opnieuw een ijzersterk album afgeleverd. ‘Secret Love’ bewijst dat het gewone de moeite waard is om te ontginnen voor het buitengewone, en dat de bas daarbij best weleens het geheime wapen mag zijn. (8/10) (4 AD Records)
