Het is zonder enige twijfel een van de grootste Italiaanse zangers ooit: Adelmo Fornaciari, al sinds jongs af aan liefkozend Zucchero (Suiker) genoemd. Geboren in Reggio Emilia, in het noorden van Italië, maar sinds zijn doorbraak op het Festival van Sanremo, het moederfestival van het Eurovisie Songfestival, in 1985, samen met Luciano Pavarotti en Andrea Bocelli de top 3 van de muzikale ambassadeurs van het Italiaanse lied. Waar voorgenoemden het klassieke lied verkondigen, neemt Zucchero in zijn eentje de rest van de muzikale stromingen voor zijn rekening. Maandag en dinsdagavond stond hij in een uitverkochte Royal Albert Hall in Londen.
In het voorprogramma stond de nog vrij onbekende Billy Lockett. 12 Jaar geleden mocht hij na een brutale tweet op tournee met KT Tunstall, terwijl hij daarvoor volgens eigen zeggen in kroegen speelde voor soms maar drie mensen. Nu als support van Zucchero Fornaciari, waar hij zijn nieuwe album, dat aanstaande vrijdag uitkomt, promootte. Lockett zette met zijn muziek in op directe verkoop met keycords met chipcard met daarop zijn nieuwe album, en daar had hij een reden voor. “Met slechts 500 verkochte albums heb ik komende week een top 10-klassering te pakken, dus met 5000 man vanavond moet dat wel lukken. Ik sta na de show bij deur 6.”, gaf hij slim aan. Aan zijn enthousiasme zal het niet liggen, en ook muziekaal gezien kreeg hij de Royal Albert Hall goed mee.
Nog vóór de muziek begon, klonk er uit de speakers een gedicht. Op de schermen verscheen de tekst: “The Poet Is A Faker, Who Is Good At His Act. He Even Fakes The Pain, Of Pain He Feels In Fact. (Ferdinando Pessoa)” Een treffender opening voor een concert van Zucchero is nauwelijks denkbaar. De Portugese dichter Fernando Pessoa beschrijft hoe een kunstenaar gevoelens niet alleen beleeft, maar ze ook vormgeeft en overdraagt. De pijn die echt wordt gevoeld, wordt door de kunstenaar opnieuw gecreëerd en uitvergroot, zodat zij voor het publiek tastbaar wordt. Daarmee legt het gedicht de essentie van kunst bloot: niet het letterlijk tonen van emoties, maar het omzetten ervan in een vorm die anderen kan raken.
Pas daarna ving het concert aan met ‘Oh Doctor Jesus’, waarbij achtergrondzangeres Oma Jali als eerste het podium betrad in een gospelachtige opening. Zucchero kwam daarna als laatste het podium op, lopend tussen de twee drumstellen door, en zette in met ‘Spirito nel Buio’, voortbordurende op de gospelachtige opening. De volledige band viel in en de zaal kwam direct in actie.
Hierna ging het goed los, stevig klapte de zanger erin met ‘Partigiano reggiano’ als eerste hoogtepunt, waarbij hij in een langgerekte uitvoering goed de ruimte gaf aan zijn twee meer dan voortreffelijke gitaristen, Mario Schililò en Kat Dyson. Vanaf dat moment ging het compeet los met ‘Black Cat’, waarbij niemand meer kon blijven zitten en de toetsen goed tot zijn recht kwamen.
Bij ‘Felice’ kwam Oma Jali zwoel naar voren in haar rol als verleidster, waarbij zij Zucchero probeerde te verleiden. Het spel tussen de zanger en zijn backingvocaliste was niet alleen muzikaal een genoegen om naar te luisteren, maar zeker ook om.naar te kijken. ‘Baila’ zorgde daarna voor een omslag in de zaal en bracht de hele Royal Albert Hall van de stoelen.
Dat Zucchero van alle markten thuis is, werd duidelijk bij de eerste tonen uit de trompet van James Thompson. ‘Scintille’ kreeg een jazzy invulling met op de schermen beelden van Miles Davis. Een mooi exemplarisch bewijs van de veelzijdigheid van Fornaciari. Dat werd ook duidelijk aan het eind van ‘Iruben Me’, waarbij het nummer uitvloeide met een lange gitaarsolo waarin beide gitaristen elkaar afwisselden en versterkten.
Halverwege nam Zucchero plaats op het podium om het publiek te begroeten. Hij bedankte de zaal en reageerde op wat vanuit het publiek werd geroepen. Door de hele show heen riepen bezoekers regelmatig verzoeknummers en aanmoedigingen in het Italiaans. Hij sprak meerdere keren in het Italiaans terug naar het publiek. Hij gaf aan dat dit zijn 29e optreden in de Royal Albert Hall was en verwees naar een eerder optreden in 2004 met onder anderen Eric Clapton, Brian May en Luciano Pavarotti. Het gaf aan hoe groot de faam van Zucchero toen al was.
Het middendeel bestond ondr anderen uit ‘Un soffio caldo’, ‘Oltre le rive’ en ‘Nella casa c’era’, waarbij bij dat laatste nummer Keba Williams het nummer met een mooie klarinetsolo tot grote hoogten bracht. Het prachtoge ‘Miserere’ kreeg extra lading doordat Luciano Pavarotti via de schermen de eerste tonen inzette en later in het nummer terugkeerde als stem. Het werd een mooi interactief samenspel tussen twee van de grootste namen uit de Italiaanse muziek. Hij vroeg om respect voor Pavarotti, wat door de zaal werd beantwoord met langdurig applaus. Het was terecht.
Daarna volgde ‘Per colpa di chi?’, dat direct door het publiek werd opgepakt en uitgroeide tot een luid moment waarop de zaal meedeed. Het nummer word helaas niet altijd gespeeld, dus het was een meer dan welkome verrassing voor de aanwezigen.
Het was daarn zijn bassist Polo Jones die de zaal opzweepte tot wederom een Gospel-atmosfeer voor de daartegenover controversiele afsluiter ‘Diavolo in me’; ‘De Duivel in mij’. Het werd de opmaar tot een uitzinnig applaus dat absoluut verdiend was voor de inmiddels 70-jarige legendarische zanger.
Zucchero kwam daarna zelf nog naar voren om het publiek vooraan in de zaal de hand te schudden, dat echter werd tegengehouden door de beveiliging van de Royal Albert Hall. Niet per sé nodig want de zanger en zijn publiek zaten in vol respect naar elkaar, wat ook bleek na een staande ovatie, die zorgde dat hij nog eenmaal terugkwam voor de grote hit ‘Senza Una Donna’.
Een meer dan volwaardig avondvullend programma, dat was waar het publiek in de Royal Albert Hall voor kwam. Een meer dan volwaardig avondvullend programma was wat het ook kreeg. En misschien wel meer dan dat. Zucchero Fornaciare, 70 jaar oud, maar met een energie om nog zeker 70 jaar door te willen gaan. Aan hem zal het zo te zien en te horen niet liggen; aan het publiek ook niet.
