Nog voor Lézard ook maar één noot gespeeld had, was de sfeer in de Rotonde van de Brusselse Botanique merkwaardig ingetogen. Het publiek dat er zondagavond op 15 maart bijeenkwam voor wat een uitverkochte avond zou worden, leek zijn adem in te houden. Geen gejoel, geen ongeduldig gestommel, eerder een collectieve concentratie, alsof iedereen wist dat er iets stond te gebeuren.
Dat begon al vroeg op de avond, met Maya Dhondt als openingsact. De Brusselse muzikante creëert intuïtief gefragmenteerde muziek waarin genres, klanken en talen vervlochten raken tot een postmoderne vermenging van glitch-pop en hedendaagse piano. De zaal was bij haar optreden nog aan het vollopen, de sfeer kalm en aandachtig. Haar fragiele, eigenzinnige geluid leek aanvankelijk haast te groot voor de stilte in de zaal, maar pakte net daardoor. Tegen het einde van haar set had ze de ruimte volledig in haar greep. Bij haar laatste nummer stapte ze voorzichtig het podium af, op blote voeten, en stelde ze zich midden in het publiek op, een moment van kwetsbare verbinding dat lang naklinkt.
Wat volgde was een andere orde van grootte. De wisselwerking tussen de bandleden brengt op het podium een buitengewone, aanstekelijke energie teweeg die de Rotonde vulde in de openingsmaten van ‘Coltrane & XTC’. Dat nummer maakte meteen duidelijk waarom de band de voorbije jaren zo snel aan momentum heeft gewonnen. Het debuutalbum ‘Que Se Passe-t-il’, uitgebracht op 20 februari 2026, is een diorama waarin hartzeer, voyeurs, droomers en gefrustreerden samenzwaaien onder een gebroken spiegelbol.
Dat album vormde de ruggengraat van de avond. Nummers als ‘Manifastique’, ‘How Does It Feel’ en ‘Que Se Passe-t-il’ kwamen live nog scherper en compacter dan op de plaat. De band speelt met een geometrische precisie die tegelijk rommelig en menselijk aanvoelt, de kracht van een groep die zijn materiaal door en door kent en het toch elke avond opnieuw durft te testen.
Met één been in het David Byrne-tijdperk en het andere in de koelbloedige underground post-punk van de jaren tachtig brengt Lézard een geluid dat tegelijk vertrouwd en radicaal eigen is. ‘Dance Tonight’, ‘Love Is In The Air Tonight’ en het dansbare ‘Party In The U.S. of E.’ deden de voeten van het voorzichtig aanwezige publiek geleidelijk bewegen. ‘Rock ’n Roll’ bracht een climax die voelde als een katapult. Dan de encore: ‘Nothing At All’, de single waarmee de band zijn naam vestigde, als afsluiter.
Na het concert werden de lichttechnici gelost en klonk vanuit de speakers de stem van Joe Dassin met ‘Et si tu n’existais pas’. Het is een gebruik waar Lézard aan trouw blijft na elk eigen optreden, een vaste afsluiter die het publiek met iets onverwachts achterlaat. In een zaal vol mensen die net een uitverkocht concert hebben bijgewoond, klinkt die chansonklassieke als een grap, maar net zo goed als een belofte.
Foto’s (c) Vic Geurts

