PawPaw Rod, het alias van de in Hawaï geboren en in Oklahoma City opgegroeide Rodney Eugene Hulsey II, brengt met ‘Picture Day: A PawPaw Rod Album’ zijn officiële debuutalbum uit. Twaalf tracks, tweeëndertig minuten, en een groove die zo recht uit een seventies tv-serie komt rollen dat je Huggy Bear bijna de scène in ziet lopen.
Rod brak in 2020 door met ‘HIT EM WHERE IT HURTS’, een nummer dat in een Apple-reclame belandde en in een handvol weken de virale hitlijsten overhoop trok. Sindsdien volgden vier EP’s, een hoop optredens, en de inmiddels welbekende vergelijkingen met Bill Withers en Gil Scott-Heron. Die vergelijkingen blijven op ‘Picture Day’ overeind, maar ze dekken de lading niet helemaal. Wat hier gebeurt is breder. Soul, disco, gesproken woord, rap, een vleugje psychedelica, alles in een productie die warm klinkt zonder modieus te zijn.
Achter de knoppen zit een collectief dat een rol verdient in elke recensie van dit album. Nick Sylvester, eerder werkzaam voor Channel Tres en Yaeji, produceert en mixt het leeuwendeel van de plaat, met bijdragen van Jeff Hazin, Billy Lemos, Jono Dorr, KingJet, Jay Century, Two Fresh en anderen. Het resultaat is een album dat klinkt als één geheel, zonder dat het ooit klinkt alsof iemand op de automatische piloot stond.
De groove. Onweerstaanbaar lekker. ‘Picture Day’ opent met een korte, bijna terloopse intro van nog geen minuut, ‘Shades of Blue’, en daarna laat Rod niet meer los. ‘I Wish’ en ‘Bettin on Me’ kende de wereld al als singles, maar in albumcontext krijgen ze nieuw gewicht. ‘Hot Streak’, met Tommy Newport als gastvocalist, is zo’n nummer waar het allemaal in zit: een ritmesectie die nooit op slot zit, achtergrondzang die op precies het juiste moment opduikt, een refrein dat blijft hangen na één luisterbeurt.
‘Lights Down Low’, met Sherwyn als featured artist, opent met een groove die in de verte zelfs aan Steely Dan doet denken, maar dan van de straat. Geen Manhattan-jazzclub, eerder een hoek van Crenshaw Boulevard waar iemand de raampjes open heeft staan. ‘Tunnel Vision’, een samenwerking met Neil Frances, is precies wat je hoopt als je weet dat Rod eerder al meezong op hun album ‘It’s All a Bit Fuzzy’ uit 2023.
En dan ‘Give It To Me Straight’. Een heerlijk groovend baslijntje, bossanova-percussie, call-and-response-zang. Doe je ogen dicht en de speelfilm draait vanzelf. Dit is muziek om op weg te dromen.
Vernieuwend is ‘Picture Day’ niet. Dit is seventies-pastiche, en daar maakt Rod geen geheim van. De Bill Withers- en Gil Scott-Heron-vergelijkingen zijn correct, en in elk hoekje van de plaat schemeren referenties door: een Starsky & Hutch-soundtrack, een vergeten Curtis Mayfield-album, een afgedankte Stax-single. Wie strikt op originaliteit beoordeelt, kan hier dus iets op aanmerken. Een 9 zal dit album in het Maxazine-systeem nooit halen, simpelweg omdat het niets uitvindt.
Maar zo werkt deze plaat niet. ‘Picture Day’ is geen statement over de toekomst, het is een liefdesbrief aan een sound die nooit echt is weggeweest, geschreven met genoeg eigenheid om niet als kopie te klinken. Dat de plaat met tweeëndertig minuten aan de korte kant is, voelt eerder als zelfdiscipline dan als gebrek. Geen vulwerk, geen ballast.
‘Picture Day’ is een debuutalbum dat groeit bij elke beluistering. Het is de soort plaat die schreeuwt om een live-uitvoering, en daarbij dringen zich onmiddellijk twee bandnamen op: The Dap-Kings, of The Roots. Allebei zouden ze met dit materiaal de zalen plat kunnen spelen. Dat Rod dit zelf op de planken kan brengen, met of zonder uitgebreide band, is een kwestie waar zijn aanstaande Picture Day Tour 2026 antwoord op moet geven. Wie hem kent van ‘HIT EM WHERE IT HURTS’ krijgt hier de volwassen, gelaagde versie van die formule. Wie hem nog niet kende, heeft een goede reden om vanaf vandaag mee te luisteren. Pure seventies-pastiche, ja, maar zo goed uitgevoerd dat de cijferindeling van Maxazine bijna in de weg zit.(8/10) (Independent Co.)
