BEAT, het project waarin oud-King Crimson-leden Adrian Belew en Tony Levin samen met gitarist Steve Vai en Tool-drummer Danny Carey de muziek van King Crimson uit de jaren tachtig spelen, deed op 11 juni 2026 de Mitsubishi Electric Halle in Düsseldorf aan. Vier muzikanten van wereldklasse, een repertoire dat tot de meest veeleisende van de progressieve rock behoort, en toch een avond die nooit echt ging vliegen. De muziek was onaantastbaar. De ervaring niet.
Het idee is even simpel als ambitieus. Belew en Levin maakten in de jaren tachtig deel uit van de King Crimson-bezetting die drie albums afleverde: ‘Discipline’ (1981), ‘Beat’ (1982) en ‘Three of a Perfect Pair’ (1984). Die platen werden na hun verschijnen nauwelijks nog live gespeeld. BEAT brengt ze terug. Belew en Levin spelen hun eigen oude partijen, Carey, de drummer van Tool, neemt de rol van Bill Bruford over en Vai die van Robert Fripp. Vai begon zijn loopbaan als achttienjarige bij Frank Zappa, die hem inhuurde om diens muziek te transcriberen en hem liefkozend zijn ‘stuntgitarist’ noemde, een traject dat hij later vastlegde in een lange reeks soloalbums. Fripp en Bruford gaven hun zegen, Fripp opperde zelfs de naam, naar het album uit 1982. Geen tributeband dus, maar een nieuwe tak aan een nog altijd groeiende stamboom.
De keuze voor Vai is het interessantst, en wie haar als vreemd ervaart, begrijpt het verkeerd. Vai speelt Fripps partijen niet noot voor noot na. Dat had hij waarschijnlijk geweigerd, en daar vraag je hem ook niet voor. De technieken waarmee Vai groot werd, het tweehandige tappen en de vloeiende legato, bestonden nog nauwelijks toen Fripp die hoekige, in elkaar grijpende lijnen in 1981 met een plectrum inspeelde. Wie letterlijke reproductie wil, huurt een precieze technicus in. Wie Vai vraagt, kiest bewust voor herinterpretatie. Die keuze ís het artistieke statement van de band.

De Mitsubishi Electric Halle draagt een prog-verleden met zich mee. In de vroege jaren zeventig, toen de zaal nog Philipshalle heette, stonden hier Pink Floyd, Genesis en Emerson, Lake & Palmer op het podium, lang voordat sommigen van hen een wereldfenomeen werden. Heilige grond, zou je denken, voor een band die het cerebraalste prog-repertoire ooit live brengt. Toch bleef het op een regenachtige Düsseldorfse avond, dezelfde avond waarop aan de andere kant van de wereld de openingsceremonies van het WK voetbal werden gehouden, steken op driekwart bezetting. Voor een affiche van dit kaliber heeft dat bijna iets van een innuendo, te meer omdat eerdere stops op deze Europese tour hetzelfde beeld lieten zien. Het publiek was overwegend op leeftijd: grijze hoofden die eind jaren zeventig, begin jaren tachtig in de alternatieve scene zaten en daar vaak nog steeds in zitten. Opvallend veel Zappa-shirts, en wie goed keek, zag een origineel ‘Ship Arriving Too Late to Save a Drowning Witch’-tourshirt voorbijkomen, in levenden lijve, een kledingstuk dat op eBay het kaartje ruimschoots had terugverdiend. Het podium was klassiek opgezet, met een groot achterdoek waarop de inmiddels vertrouwde olifantenkop prijkte, een bescheiden lichtshow en een backline die vanwege de aanwezige musici al voor aanvang veel bekijks trok.
Het concert begon met een storing. ‘Neurotica’ opent met een fluitje, waarna de clicktrack zou moeten inzetten. Dat gebeurde niet, waardoor de vliegende start iets minder vliegend werd. Voor een productie van dit niveau eigenlijk not done. Belew lachte het weg. Vai stond in een onberispelijk maffiapak met bijpassende hoed superscherp geconcentreerd op het podium, en toen de click eenmaal liep, vuurde hij zichzelf werkelijk af.
In ‘Neal and Jack and Me’ toont zich meteen het hart van de zaak. Hier grijpen twee gitaarpartijen in verschillende maatsoorten in elkaar, het principe dat de King Crimson van ‘Discipline’ tot gamelan-achtige rock maakte: niemand speelt het hele patroon, het ontstaat pas in de versmelting. Belew en Vai brachten dat vrijwel feilloos, en wat vooral opviel, is hoe sterk Belew als gitarist is. Vai bleef nadrukkelijk in zijn rol als dienend lid van de band. Daarna volgde ‘Heartbeat’, het nummer dat van de hele set het dichtst bij een traditioneel popliedje komt, in een idioom dat ook een leek kan volgen. Aardig, maar geen blijver. Curieus genoeg maakte Belew zijn grap over “even de makkelijke wegspelen” hier ná ‘Neal and Jack and Me’, net voordat dat eenvoudige ‘Heartbeat’ inzette.
Bij ‘Sartori in Tangier’ kwam Levin op de Chapman Stick, alleen al een genot om te zien. Te horen ook, al moet hier het pijnlijke punt vallen dat de Mitsubishi Electric Halle naar mijn ervaring een lastige zaal is voor het front-of-house-geluid bij grote concerten. Ik heb er in al die jaren weinig grote namen een werkelijk bevredigend zaalgeluid horen produceren; akoestisch is het een weerbarstige ruimte. Vanavond was dat opnieuw het grote euvel: veel midden, schel hoog, en Levin en de fenomenale drummer kwamen er bekaaid vanaf, waardoor juist het werk op de Stick onderbelicht bleef.
De titel ‘Sartori in Tangier’ verdient een kanttekening, want hij verraadt waar de muziek vandaan komt en waar niet. Het hele album ‘Beat’ is een hommage aan de Beat Generation, voor wie Tangier het mythische toevluchtsoord was, de stad van William Burroughs en zijn ‘Naked Lunch’. De titel speelt bovendien op Jack Kerouacs roman ‘Satori in Paris’, met satori als het zenwoord voor plotselinge verlichting, en de afwijkende spelling met r knipoogt naar het sartoriale, het gepast gekleed gaan. Een literaire titel dus, geen geografische. Dat verklaart wat in de zaal opviel: de toonladders neigen naar het Midden-Oosten, niet naar de Maghreb, waar men ze zo nooit zou gebruiken. Het is een westerse verbeelding van het oosten in brede zin, een sfeerelement, geen plaatsbepaling. Vais gitaarsynths werden hier wel erg zwaar aangezet.
‘Model Man’ was lichter en bood ruimte om de zaal te peilen. Die bleef de hele avond mat. Geen kwade wil, gewoon een ouder publiek dat niet meer uit zijn stoel komt. Nergens een rockconcertstemming, altijd beleefd applaus, aan het slot een nette staande ovatie, maar geen moment het gevoel bij een opwindend rockconcert te zitten. ‘Dig Me’ stelde de scherpste vraag van de avond. Het nummer is onversneden avant-gardistisch, met duikvluchtgitaar, ontwrichtende zang en een structuur die voortdurend dreigt uiteen te vallen, eindigend op het woord “bury me”. Die durf valt te prijzen. Maar de vraag dringt zich op hoe avant-gardistisch avant-garde anno 2026 nog is. Door dit nu te spelen, krijgen de toenmalige criticasters misschien alsnog gelijk dat het vooral een bak herrie was. Dat was het toen, dat is het nu, alleen werd het destijds als kunst geframed. Wat bovendien opviel: elke muzikant stond uiterst geconcentreerd zijn eigen partij te spelen en te tellen als een meikever, maar het geheel leek niet samen gespeeld te worden. Had er iemand naast gezeten, niemand had het gemerkt.
Na het korte, poppy ‘Man With an Open Heart’ volgde ‘Industry’, op papier het donkerste, meest atmosferische moment, met een Bowie-achtige dreiging en een synthdrone van drie noten. Hier had de zaal stil moeten vallen, maar die was al stil vanaf de eerste noot. In Düsseldorf kwam het stuk niet binnen, vermoedelijk opnieuw door het front-of-house-geluid. Vai liet horen wat je met een gitaarsynth allemaal kunt, maar speelde ook hier in dienst van de band. Dit werd op geen enkel moment de Steve Vai-show, en dat is een groot pluspunt. De eerste set sloot met ‘Larks’ Tongues in Aspic (Part III)’, een zware instrumentale brok waarin Carey toonde waarom hij de verrassing van de avond was. Technisch enorm begaafd, en wát er ook gespeeld moet worden, de man houdt er een groove in.
De tweede set opende met ‘Waiting Man’, het visuele en ritmische handtekeningmoment van de show. Carey begint alleen vooraan op percussie, Belew voegt zich erbij voor de fasepatronen, daarna komt de rest. De verwijzing naar Steve Reichs minimalisme is evident, maar er klonk evengoed Philip Glass in door, en hier laat zich een lijn trekken van Fripp terug naar diens grote voorbeeld, het late werk van Stravinsky. Mooie, sfeervolle percussie, en eigenlijk het enige moment waarop de sfeer de zaal werkelijk raakte.

‘The Sheltering Sky’ was het beloofde hoogtepunt, en hier beantwoordde Vai de prangende vraag. Hij herinterpreteert de oorspronkelijke muziek in dienst van het BEAT-project en laat horen wat voor groot muzikant en componist hij werkelijk is. Wie hem in 2023 op het Bridge Festival in Eindhoven met het Metropole Orkest zag, weet dat Vai juist op het snijpunt van uitvoerend musicus en componist op zijn sterkst is. Hier in Düsseldorf liet hij dat opnieuw zien. Vai is veel eerder een meestermuzikant en componist pur sang dan een gitaargod. Dat onderscheid is precies waarom hij hier op zijn plaats is.
In ‘Sleepless’ speelde Levin met zijn beroemde Funk Fingers, de minihamertjes die de bas een industrieel-funky klank geven. Het leverde het meeste applaus tot dan toe op. ‘Frame by Frame’, met zijn fasepatronen, gaf eindelijk ruimte aan Vai om zichzelf te zijn, en het was mooi dat dat lang mocht duren. Belews zang was hier minder, en Levins achtergrondzang was ronduit onzuiver en niet goed getimed, maar opnieuw toonde Belew zijn klasse op gitaar.
‘Matte Kudasai’, de ballad met Belew op bottleneckgitaar, legde pijnlijk bloot hoezeer het front-of-house-geluid in deze zaal achterblijft bij wat we in Nederland gewend zijn. Het nummer was niet naar beneden getransponeerd; de vraag is of dat voor de zang beter was geweest. Vermoedelijk was de feel ook een toon lager overeind gebleven. Na het toegankelijke ‘Elephant Talk’, het strakke ‘Three of a Perfect Pair’ en het theatrale ‘Indiscipline’, met Belews “I repeat myself when under stress” eindigend op “I like it!”, kwam er eindelijk contact met de zaal. Tegelijk liepen er al mensen weg, die de toegift niet afwachtten.
Als toegift volgde ‘Red’, het titelnummer van het gelijknamige album uit 1974, sneller dan het origineel en met inventief slagwerk van Carey. Belew eerde hier, net als elders op de tour, Fripp en Bruford. Daarna sloot het punkige ‘Thela Hun Ginjeet’ de avond af, precies zoals de verslagen uit andere steden al lieten verwachten. De zaal bleef rustig tot het einde, geen spoor van opwinding, beleefde applausjes, geen rockvibe, ondanks de muziek.
En zo blijft de eerlijke vraag staan: werkt dit project anno 2026 nog? Het muzikale niveau stond buiten kijf, een tachtigjarige Levin op bas alleen al is een wonder om te aanschouwen. Maar toen Steven Wilson hier niet zo lang geleden speelde, vielen de mensen van verbazing van hun stoel om de muziek en de productie. Dat niveau werd vanavond, ondanks de aanwezige muzikanten, geen moment gehaald. De grootste boosdoener was naar mijn ervaring het front-of-house-geluid, in exact dezelfde zaal waar Wilson hetzelfde gevecht moest leveren en het wél won. De leeftijd van het publiek speelde mee. En misschien is dit simpelweg muziek geworden die je met ontzag bekijkt, maar die niet meer de schok geeft die ze veertig jaar geleden gaf. Een prachtig project, vakmanschap van de bovenste plank, en toch een avond die meer respect dan opwinding opriep.
Foto’s (c) Jon.R Luini/ Chime
