Er zijn songs die de wereld raken omdat ze universeel zijn, die over liefde of verlies gaan, over herkenbare menselijke emoties. En dan zijn er songs die de wereld raken juist omdat ze zo specifiek zijn, zo onherroepelijk verankerd in één plek, één volk, één onrecht. ‘Beds Are Burning’ van Midnight Oil behoort tot die tweede categorie. Een song over de gestolen grond van de Australische Aboriginals, geschreven door vier blanke mannen uit de stad, werd in 1987 een wereldwijde rockhit. Het is een van de meest onwaarschijnlijke verhalen in de geschiedenis van de popmuziek, en tegelijk een van de meest veelzeggende.
Midnight Oil
Het verhaal van Midnight Oil begint op de noordelijke stranden van Sydney, waar drie scholieren in de vroege jaren zeventig begonnen te spelen in een bandje dat zichzelf Farm noemde. Drummer Rob Hirst, bassist Andrew James en gitarist en toetsenist Jim Moginie speelden covers van Cream, Creedence Clearwater Revival en Led Zeppelin voor de surfgemeenschap van de stad. In 1975 reageerde een lange, kaalgeschoren rechtenstudent genaamd Peter Garrett op een advertentie voor een nieuwe zanger. Hij paste meteen. In 1976 versterkte gitarist Martin Rotsey de band en koos het gezelschap uit een hoed een nieuwe naam: Midnight Oil.
De band bouwde zijn reputatie op door meedogenloos hard te werken. In hun vroege jaren speelden ze soms tweehonderd optredens per jaar, bijna uitsluitend in Sydneese pubs, totdat die pubs te klein werden. Ze richtten hun eigen platenlabel Powderworks op, brachten in 1978 hun debuutalbum uit en weigerden van het begin af aan concessies te doen aan commerciële smaak. Politiek activisme was geen imago, het was karakter. De band speelde benefietconcerten voor milieuorganisaties, het Save the Whales-initiatief en antinucleaire bewegingen, en frontman Garrett stond in 1984 zelfs op de kandidatenlijst voor de Australische Senaat namens de Nuclear Disarmament Party.
Met het album ’10, 9, 8, 7, 6, 5, 4, 3, 2, 1′ uit 1982 brak de band door in eigen land, en het daaropvolgende ‘Red Sails in the Sunset’ uit 1984 stond zes weken op nummer één in de Australische albumlijsten. Maar buiten Australië bleef bekendheid vooralsnog uit. Dat zou veranderen door een tournee die niets te maken had met commercieel succes.
Beds Are Burning
In 1985 werd het Uluru-massief, de heilige monoliet die Europeanen decennialang Ayers Rock hadden genoemd, officieel teruggegeven aan het Pitjantjatjara-volk. Het was meer dan honderd jaar nadat Europese kolonisten het van hen hadden afgenomen. Een groep Aboriginalorganisaties vroeg Midnight Oil om een lied te schrijven ter ere van die teruggave. De band aarzelde, want ze vroegen zich af of zij als blanke stadsmensen het recht hadden om dit verhaal te vertellen. De organisatoren waren duidelijk: ze wilden dat de boodschap de grote Australische steden bereikte, en dat was precies waar de band vandaan kwam.
In 1986 organiseerden Midnight Oil de zogenoemde Blackfella/Whitefella Tour, waarbij ze samen met inheemse muziekgroepen als de Warumpi Band door het binnenland van Australië trokken en speelden voor afgelegen Aboriginalgemeenschappen. Ze zagen met eigen ogen de extreme armoede en de schrijnende gezondheidsomstandigheden. Die ervaringen zouden rechtstreeks in de muziek terechtkomen.
Het centrale beeld van het lied kwam onverwacht van ver weg. Rob Hirst had een kunsttentoonstelling bezocht die handelde over de strijd van Italiaanse partizanen in de Tweede Wereldoorlog. De organisator vertelde hem over de uitdrukking die de verzetsmensen gebruikten om de urgentie van hun situatie uit te drukken: hoe kon je slapen terwijl de wereld om je heen in vuur en vlam stond? Hirst wilde datzelfde gevoel van morele onmogelijkheid overbrengen op de situatie van de Australische Aboriginals, mensen die alles was ontnomen maar nog altijd dansten en zongen in de woestijn.
De tekst koos bewust voor het plaatsgebonden boven het universele. Er staan verwijzingen naar de Kintore Ranges, het dorp Yuendumu, de Australische auto’s van het merk Holden, de politieke slogan ‘It’s Time’ en het begrip ‘fair go’. Muzikaal sloot het nummer aan bij de energie van de alternatieve rockscene van de late jaren tachtig, met een drijvende ritmesectie, een pulserende bas en een refrein dat zich vastbeet als een klem. In een tijdperk waarin U2 met ‘The Joshua Tree’ het politieke rocklied nieuw leven had ingeblazen en R.E.M. zijn maatschappelijk bewustzijn ontdekte, paste het nummer in een bredere stroming, maar het klonk tegelijk als niets anders.
Het nummer bereikte nummer één in Canada, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika, nummer zes in het Verenigd Koninkrijk en nummer zeventien op de Amerikaanse Billboard Hot 100. Het werd de definitieve internationale doorbraak van een band die tot dan toe buiten Australië nauwelijks bekendheid genoot. De Rock and Roll Hall of Fame nam het op in de lijst van 500 Songs that Shaped Rock and Roll.
Het meest memorabele moment in de naloop van het nummer vond plaats tijdens de sluitingsceremonie van de Olympische Zomerspelen in Sydney in 2000. Midnight Oil trad op voor een stadion vol mensen, gekleed in eenvoudige zwarte outfits met het woord ‘sorry’ zichtbaar op hun kleding, recht voor de ogen van de toenmalige Australische premier John Howard, die consequent weigerde excuses aan te bieden aan de Aboriginalbevolking. Het was een politiek statement op het grootste podium ter wereld, uitgevoerd zonder toestemming van het Internationaal Olympisch Comité, en het haalde wereldwijd het nieuws.
TckTckTck: 60 muzikanten wereldwijd
Dat ‘Beds Are Burning’ meer is dan een hit uit de jaren tachtig, bleek opnieuw in 2009, toen het nummer werd gekozen als kapstok voor een van de meest ambitieuze muzikale klimaatcampagnes ooit. In aanloop naar de VN-klimaattop in Kopenhagen lanceerde het Global Humanitarian Forum onder leiding van oud-secretaris-generaal van de Verenigde Naties Kofi Annan de TckTckTck-campagne. Centraal daarin stond een herwerkte versie van ‘Beds Are Burning’, opgenomen door meer dan zestig muzikanten en bekende namen uit de hele wereld.
Midnight Oil zelf deed niet mee aan de opname, maar stemde in met het gebruik van hun nummer omdat de boodschap hen na aan het hart lag. Aan de nieuwe versie werkten onder anderen Simon Le Bon van Duran Duran, Bob Geldof, Lily Allen, Klaus Meine van The Scorpions, Mark Ronson, Jamie Cullum, Fergie en Youssou N’Dour mee. Naast muzikanten leenden ook politieke en morele zwaargewichten hun stem: aartsbisschop Desmond Tutu en de Franse actrice Marion Cotillard voegden zich bij het project.
De campagne presenteerde het nummer als de eerste globale muzikale petitie ter wereld. Elke download gold als een handtekening onder de eis dat wereldleiders in Kopenhagen een ambitieus en bindend klimaatakkoord zouden sluiten. Meer dan 1,3 miljoen mensen ondertekenden de petitie. De tekst van het origineel werd deels herschreven om de boodschap te verschuiven van landrechten naar klimaatonrecht, maar de kern bleef intact: hoe kan de wereld doorgaan alsof er niets aan de hand is, terwijl de grond onder ieders voeten in brand staat.
Diesel and Dust
‘Beds Are Burning’ was het openingsnummer van het album waaruit het afkomstig is: ‘Diesel and Dust’, het zesde studioalbum van Midnight Oil, uitgebracht in augustus 1987. Het album was geproduceerd door de Britse producer Warne Livesey, die eerder had gewerkt met The The en Julian Cope. De opnamen vonden plaats in de eerste maanden van 1987 in de Albert Studios in Sydney.
Het album bevatte naast ‘Beds Are Burning’ ook ‘The Dead Heart’, een tweede lied over de Aboriginals dat voortbouwde op dezelfde ervaringen van de Blackfella/Whitefella Tour. Muzikaal bewoog ‘Diesel and Dust’ zich tussen de krachtige gitaarrock die de band al jaren speelde en een meer toegankelijke, internationale klank die het werk van Livesey verraadde. Naast de twee Aboriginal-liedjes stonden nummers als ‘Put Down That Weapon’ en ‘Arctic World’, die de sociale en milieuangsten van het tijdperk weerspiegelden.
Het album stond zes weken op nummer één in de Australische albumlijsten, bereikte de 21ste positie op de Amerikaanse Billboard 200 en stond op nummer negentien in de Britse albumlijsten. Bij de ARIA Awards van 1988 won de band de prijs voor beste single en beste nummer, beide voor ‘Beds Are Burning’, en ook de prijs voor beste albumhoes. In 2010 werd ‘Diesel and Dust’ door drie toonaangevende Australische muziekjournalisten in het boek The 100 Best Australian Albums op de eerste plaats gezet.
Blue Sky Mine
Het succes van ‘Diesel and Dust’ opende de deur naar een nieuwe fase voor Midnight Oil. In 1990 verscheen het vervolg, ‘Blue Sky Mining’, opnieuw geproduceerd door Warne Livesey. Waar het vorige album de rechten van inheemse Australiërs centraal had gesteld, richtte de band zijn aandacht nu op een ander Australisch onrecht: de asbestmijnen van Wittenoom in West-Australië, waar arbeiders jarenlang waren blootgesteld aan dodelijke vezels zonder dat de exploiterende Colonial Sugar Refining Company hen ooit had ingelicht over de gevaren.
De titelsingle ‘Blue Sky Mine’ vertolkte de ervaringen van die mijnwerkers met een intensiteit die naadloos aansloot bij de traditie van ‘Beds Are Burning’, maar muzikaal stevender en rechttoe rechtaan. Het nummer bereikte de eerste positie op zowel de Amerikaanse Mainstream Rock Tracks als de Modern Rock Tracks, een prestatie die de band opnieuw internationaal bevestigde. Daarmee had Midnight Oil iets zeldzaams bereikt: twee opeenvolgende albums met een maatschappelijk geweten en een commercieel bereik dat er inhoudelijk geen millimeter op in had hoeven te leveren.
Bij de ARIA Awards van 1991 sleepte de band een reeks prijzen in de wacht, waaronder beste groep, album van het jaar en een Outstanding Achievement Award. Maar bovenal bevestigde ‘Blue Sky Mine’ dat wat Midnight Oil met ‘Beds Are Burning’ had gedaan geen geluk was geweest. Het was overtuiging.
In december 2002 verliet Peter Garrett de band om zijn politieke ambities te verwezenlijken. Hij werd later minister in de Australische regering, eerst verantwoordelijk voor milieu, erfgoed en de kunsten, later voor onderwijs. In 2016 kondigde de band een volledige hereniging aan en in 2022 verscheen het vijftiende en laatste studioalbum ‘Resist’. Daartussen brachten ze in 2020 ‘The Makarrata Project’ uit, een mini-album ter ondersteuning van de Uluru Statement from the Heart, het pleidooi voor een grondwettelijk verankerde stem van de inheemse bevolking in het Australische parlement.
