Miles Davis zou dit jaar honderd worden. Een getal dat uitnodigt tot herdenking, maar ook tot iets beters: herontdekking. In de uitverkochte Ronda van TivoliVredenburg biedt het Metropole Orkest, onder leiding van Jules Buckley, een eerbetoon aan twee van zijn invloedrijkste albums, ‘Tutu’ uit 1986 en ‘Amandla’ uit 1989. En de man die beide albums componeerde, produceerde en grotendeels zelf inspeelde, staat er gewoon bij. Marcus Miller, bassist, multi-instrumentalist en geluidsbouwer pur sang, is niet uitgenodigd als eregast. Hij is de spil.
Dat Miller de aangewezen man is voor dit project, valt nauwelijks te betwisten. Hij schreef vrijwel alle nummers op ‘Tutu’, bouwde de elektronische klanktapijten die Miles Davis’ trompet omringden, en bedacht een geluid dat de jaren tachtig vastlegde zonder erdoor begraven te worden. ‘Tutu’ won twee Grammy Awards, deelde de jazzwereld in twee kampen en klinkt veertig jaar later nog altijd verrassend fris. Dat artiesten als George Benson, Al Jarreau en Cassandra Wilson het titelnummer inzongen, bewijst dat het allang onderdeel is van de jazztaal.
Het concert opent met ‘Tomaas’, het nummer dat Miles samen met Miller schreef en dat op het originele album uitpakt als een reggae-getinte groove met veel lucht om de trompet heen. Hier klinkt het anders. Pianist en arrangeur John Beasley heeft de partituren grondig herschreven. Waar de originelen soms spaarzaam en elektronisch waren, met ruimte bewust als compositiemiddel, zijn de arrangementen nu voller, sneller en rijker aan textuur. De blazers van het Metropole Orkest krijgen de ruimte om solistisch te schitteren, en ze grijpen die met beide handen aan. Miller kijkt naar het orkest en vraagt lachend aan het publiek: ‘Are these guys smokin or not?’ De zaal reageert alsof ze de vraag overbodig vinden.
De geluidskwaliteit in de Ronda is ronduit indrukwekkend. Het orkest klinkt organisch en vol, bijna als een studioproductie, terwijl het toch de warmte heeft van een live-uitvoering. Buckley dirigeert met zichtbaar plezier, maar houdt de teugels strak genoeg om de complexe arrangementen samenhangend te houden.
Het hoogtepunt van het eerste deel is ‘Catembe’, van het ‘Amandla’-album. Miller introduceert het nummer met een anekdote die rechtstreeks uit de biografie van Miles Davis stamt. Davis was gefascineerd door de Guadeloupaanse band Kassav en de zoukstijl die zij populariseerden, en die invloed is hoorbaar in ‘Catembe’. De talking drum die in het arrangement opduikt, geeft het nummer een feestelijk, bijna carnavalesk karakter. Het swingt als een bezeten, en het publiek voelt dat. ‘Portia’ heeft intussen iets van de sfeer uit Miles’ Spaanse periode, een echo van de samenwerking met Gil Evans, maar dan door Beasley heen gefilterd naar 2026.
‘Splatch’ is het andere hoogtepunt, een funky explosie die uitmondt in een adembenemend, vurig duel tussen sopraansaxofoon en basgitaar. Twee muzikanten die elkaar opjagen voor het voetlicht, en het publiek meenemen in een wedstrijd die niemand wil verliezen. Miller laat horen waarom hij de beste is in wat hij doet, maar nooit ten koste van de muziek.
Miller vertelt ook over Jaco Pastorius, die ooit alle knoppen tot het maximum opendraaide. Het is een anekdote die hij gebruikt om uit te leggen hoe hij zelf de bas inzet: niet als soloinstrument dat schreeuwt, maar als lijm en gids van het geheel. De bas houdt het orkest bijeen, ook op momenten dat de blazers van het Metropole Orkest de neiging hebben het podium voor zichzelf op te eisen.
Een ander opvallend moment is de vermelding van de Yamaha DX7, het synthesizericoon uit de jaren tachtig dat zo bepalend was voor het geluid van ‘Tutu’. Dat instrument is inmiddels lastig te vinden, zegt Miller, en dan trekt hij een vergelijking die hij met volle overtuiging brengt: kunstmatige intelligentie is gewoon het volgende instrument. In de handen van creatieve mensen wordt het een nieuw gereedschap, net zoals de DX7 dat ooit was. ‘AI is just another instrument.’ De zaal denkt er even over na en applaudisseert.
Voordat de avond sluit, maakt Miller een brug die het programma in één klap zijn volle betekenis geeft. Het nummer ‘Tutu’ was een persoonlijk eerbetoon aan aartsbisschop Desmond Tutu, de Zuid-Afrikaanse mensenrechtenactivist die de strijd tegen de apartheid aanvoerde. Miles Davis was er trots op dat Tutu hem persoonlijk een brief stuurde om hem te bedanken voor de aandacht die het album aan die strijd schonk. Twee jaar later pakte Miles dat thema opnieuw op met ‘Amandla’, het Zulu-woord voor kracht. Beide albums zijn dus niet alleen muziek, ze zijn ook een politiek statement, en die boodschap klinkt in 2026, honderd jaar na de geboorte van Davis, nog altijd niet gedateerd.
De toegift zelf is een versie van ‘Tutu’ die Miller ontzettend cool noemt, en hij heeft gelijk. De blazers komen naar voren op het podium, het thema klinkt vertrouwd en plechtig tegelijk, en de Ronda neemt er de tijd voor.
Dit concert bewijst dat het muzikale erfgoed van Miles Davis geen stoflaag nodig heeft. Beasley’s arrangementen ademen eerder dan dat ze archiveren, Miller’s aanwezigheid geeft het programma gewicht en authenticiteit, en het Metropole Orkest is op deze avond werkelijk in topvorm. Af en toe wringt de vollere bezetting met de intentionele ruimte van de originelen, maar dat is een kleine prijs voor een avond die zo veel energie en kleur biedt. Vanuit de zaal klinkt op een gegeven moment de roep: ‘We love you Marcus!’ Miller glimlacht en speelt gewoon door.
