Onder het oppervlak van de meest opgewekte zomerhit van 1983 schuilt een van de meest cynische teksten die ooit de Europese hitparades bereikten. Terwijl miljoenen mensen dansten op het aanstekelijke refrein van ‘Vamos a La Playa’, zongen ze eigenlijk mee met een lied over nucleaire apocalyps. Dit contrast tussen vorm en inhoud maakt het nummer tot een van de meest intrigerende paradoxen in de geschiedenis van de popmuziek, een verhaal over twee Italiaanse studenten die met synthesizers en een donkere visie op de toekomst een tijdperk definieerden.
De zomer van 1983 stond in het teken van de Koude Oorlog, maar op de dansvloeren van Europa klonk een totaal andere soundtrack. Terwijl politici spraken over kernwapens en wederzijdse vernietiging, maakten twee jonge mannen uit Turijn een nummer dat beide werelden samenbracht op een manier die niemand verwachtte.
Righeira
De geschiedenis van Righeira begint niet in een platen studio, maar op de schoolbanken van het Albert Einstein Liceo scientifico in de wijk Barriera di Milano in Turijn. Hier ontmoetten Stefano Righi, geboren op 9 september 1960, en Stefano Rota, geboren op 1 oktober 1961, elkaar eind jaren zeventig. Beide jonge mannen waren gefascineerd door de nieuwe elektronische geluiden die de muziekwereld begonnen te veroveren, maar hadden geen klassieke muzikale opleiding. Wat ze wel hadden was een scherp oog voor design, film en de visuele kant van popcultuur.
In 1981 besloten Righi en Rota zich te heruitvinden. Ze veranderden hun namen in Johnson Righeira en Michael Righeira, waarbij ze de achternaam afleiden van een grappige Braziliaans-Portugese uitspraak van Righi’s eigen naam tijdens een schoolvoetbalwedstrijd. De twee noemden zichzelf geen vrienden meer, maar ‘muzikale broers’, een artistieke constructie die hun hele imago zou gaan bepalen. Het was meer dan een gimmick; het was een bewuste poging om afstand te nemen van het traditionele Italiaanse artiestbeeld.
Het duo miste echter de technische kennis om hun visie te realiseren. Ze waren meer geïnteresseerd in het concept van muziek dan in het daadwerkelijk maken ervan. Dit veranderde in 1982 toen ze de La Bionda broers ontmoetten, Carmelo en Michelangelo, twee producenten uit Milaan die eind jaren zeventig de Italiaanse discorevolutie hadden meegemaakt. La Bionda wilde aanvankelijk dat Righeira presentatoren werden voor een tv-show vanwege hun uitstraling, maar het duo weigerde. Ze wilden hun eigen muziek maken. La Bionda zag potentieel in hun anarchistische energie en tekende een productiecontract tot 1987.
De samenwerking bleek vruchtbaar. Waar Righeira de concepten en teksten aandroeg, zorgden La Bionda voor de sonische realisatie met geavanceerde apparatuur zoals de Fairlight CMI sampler. Het resultaat was een geluid dat even vervreemdend als toegankelijk was, gekenmerkt door strakke elektronische ritmes en een bijna robotachtige precisie.
Vamos a La Playa
Op oudjaarsavond 1981 bezocht Righi met enkele vrienden een muziekstudio in Florence. Tijdens het experimenteren met een keyboard kwam hij op het idee voor ‘Vamos a La Playa’. De melodie was geïnspireerd door de jaren zestig, en Righi wilde een strandlied maken met een post-apocalyptische en elektrische ondertoon. Het refrein schoot hem spontaan te binnen, een simpel Spaans zinnetje dat iedereen zou kunnen zingen.
Maar de tekst die Righi schreef was verre van onschuldig. In het Spaans beschrijft het nummer een bezoek aan het strand nadat een atoombom is ontploft. Radioactieve straling kleurt de lucht blauw, radioactieve wind waait door het haar, en de zee is eindelijk schoon, niet meer vervuild met stinkende vissen, maar gloeiend van fluorescerende straling. Het is een grimmige satire op de nucleaire dreiging van de jaren tachtig, verpakt in een opgewekt dansnummer.
De opnames vonden plaats in augustus en september 1983 in de Weryton Studios in München. La Bionda transformeerde Righi’s keyboard demo tot een volledig geproduceerd Italo disco nummer, compleet met elektronische drums, gelaagde synthesizers en strakke productie. Het nummer werd uitgebracht in juni 1983, vier maanden voor het debuutalbum zou verschijnen.
Het succes was fenomenaal. In Italië bereikte ‘Vamos a La Playa’ de eerste plaats en bleef daar zeven weken staan, van 20 augustus tot 1 oktober 1983. In Zwitserland stond het twee weken op nummer één. In Nederland piekte het op de tweede plaats in de Dutch Top 40, in België eveneens op twee in de Ultratop, en in Duitsland op drie. Het nummer verkocht wereldwijd meer dan drie miljoen exemplaren. Alleen in het Verenigd Koninkrijk bleef het succes bescheiden met een 53e plaats, een illustratie van hoe Italo disco grotendeels aan de Britse mainstream voorbijging.
De videoclip droeg bij aan het postmoderne imago van Righeira. Omdat beide mannen net opgeroepen waren voor militaire dienst, stuurden ze storyboards naar een regisseur die een geanimeerde video maakte met rotoscope technieken. Het resultaat was een futuristische clip met robotbrillen, rasterachtergronden en dansende figuren die het Italiaanse postmodernisme perfect vertolkten. De clip werd een icoon van het tijdperk.
Critici hebben het nummer omschreven als een van de meest cynische zomernummers ooit gemaakt. De journalist Gunter van Assche noemde het een wonder dat deze melancholische angstvisie een wereldwijde hit werd. Emmanuelle Veil beschreef de teksten als bijtend, terwijl Benjamin König het nummer gecommitteerd noemde omdat het niet alleen over zonnebaden gaat, maar over het einde van de nucleaire wereld.
Lou Bega
Dertig jaar na de originele release vond ‘Vamos a La Playa’ een nieuwe incarnatie in de handen van Lou Bega, de Duitse zanger die begin jaren 2000 wereldberoemd werd met zijn versie van ‘Mambo No. 5’. Geboren als David Lubega Balemezi op 13 april 1975 in München, met een Italiaanse moeder uit Sicilië en een Ugandese vader, groeide Bega op met een natuurlijke affiniteit voor diverse muziekstijlen.
In 2013 bracht Lou Bega het album ‘A Little Bit of 80s’ uit, een eerbetoon aan het decennium dat zijn muzikale vorming had bepaald. Het album bevatte dertien covers van jaren tachtig klassiekers, waaronder ‘Give It Up’, ‘Smooth Operator’, ‘Physical’ en natuurlijk ‘Vamos a La Playa’. Voor Bega, die zichzelf een kind van de jaren tachtig noemde, was het een kans om de levensvreugde en de fusie van muziekstijlen te eren die dat tijdperk kenmerkten.
Bega’s versie van ‘Vamos a La Playa’ duurde 3 minuten en 15 seconden en kreeg een Latin flavour die paste bij zijn eigen muzikale identiteit. Waar het origineel dreef op strakke Italo disco synthesizers, voegde Bega trompetten, mambo ritmes en een warmere productie toe. Het behield het aanstekelijke refrein maar transformeerde de apocalyptische onderkoeling tot een uitbundige feeststemming. De donkere ironie van het origineel maakte plaats voor pure entertainmentwaarde.
Het album Righeira
Het gelijknamige debuutalbum van Righeira verscheen op 28 september 1983 op het CGD label. Aanvankelijk was het de bedoeling het album net voor Kerstmis uit te brengen, maar het succes van ‘Vamos a La Playa’ en ‘No Tengo Dinero’ maakte een eerdere release noodzakelijk. Het album bevatte acht nummers, waarvan er zes geschreven waren door Johnson Righeira.
De productie vond plaats in München bij de Weryton Studios, met geluidstechnici Berthold Weindorf en Ben Fenner. La Bionda gebruikte geavanceerde technologie voor die tijd, waaronder de Fairlight CMI sampler en de Roland MC-8 Microcomposer. Het resultaat was een album dat klonk alsof het uit de toekomst kwam, met een geluid dat tegelijkertijd afstandelijk en hypnotiserend was.
Critici merkten op dat Righeira zich onderscheidde van andere Italo disco acts door hun thematische keuzes. Waar de meeste disco nummers handelden over liefde, seks of feesten, zong Stefano Righi over nucleaire vernietiging, overheidssurveillance en verstikkend hypermodernisme. Nummers zoals ‘Jazz Musik’, ‘Gli parlerò di te’ en ‘Kon Tiki’ waren even toegankelijk als conceptueel uitdagend. Het duo creëerde met opzet muziek die zich ongemakkelijk voelde, die luisteraars dwong zich aan te passen aan een andere groove.
Het album paste perfect in de Italo disco scene van 1983, een jaar dat als doorbraak wordt beschouwd voor het genre. Labels als Discomagic Records brachten meer dan dertig singles uit dat jaar, en de term Italo disco werd algemeen bekend buiten Italië dankzij compilaties van het Duitse ZYX label. Artiesten als Ryan Paris met ‘Dolce Vita’ (geschreven door Gazebo), Savage, My Mine en Fun Fun debuteerden allemaal in hetzelfde jaar, waardoor 1983 een gouden periode werd voor Europese elektronische dansmuziek.
Het bijzondere aan Righeira was hun weigering om zich te voegen naar conventies. Hun albumhoes, ontworpen door Atipiqa, straalde een futuristische esthetiek uit die paste bij hun muzikale visie. De foto’s, gemaakt in de Martano Art Gallery door Photostudio 2, toonden twee mannen die eruitzagen alsof ze uit een sciencefictionfilm kwamen, compleet met avant-garde kleding en poses.
No Tengo Dinero
Waar ‘Vamos a La Playa’ handelde over nucleaire vernietiging, richtte het tweede Righeira nummer zich op een andere vorm van uitsluiting. ‘No Tengo Dinero’, uitgebracht in het najaar van 1983, betekent letterlijk ‘Ik heb geen geld’ en beschrijft de frustratie van iemand die buitengesloten wordt van de moderne consumptiemaatschappij. Het was opnieuw een sociaal commentaar verpakt in een aanstekelijk dansnummer, een strategie die Righeira tot meesters van de Italo disco zou maken.
Het nummer werd geschreven door Stefano Rota, ook bekend als Michael Righeira, samen met de La Bionda broers Carmelo en Michelangelo. Net als bij ‘Vamos a La Playa’ kozen ze voor Spaanse teksten, wat destijds nog steeds als een ongebruikelijke combinatie met elektronische popmuziek werd beschouwd. De tekst beschrijft hoe moderne luxe alleen voor de rijken toegankelijk is. In het hoogste deel van de stad voeden de welgestelden zich met beelden en relais, een verwijzing naar de oppervlakkigheid van de opkomende mediacultuur van de jaren tachtig.
Muzikaal volgde ‘No Tengo Dinero’ dezelfde formule als het debuut, met strakke elektronische drums, gelaagde synthesizers en een bijna robotachtige zangproductie. De La Bionda broers gebruikten opnieuw hun geavanceerde studioapparatuur in München om een geluid te creëren dat even futuristisch als dansbaar was. Het nummer duurde in de officiële extended versie 5 minuten en 31 seconden, terwijl de reguliere versie 3 minuten en 13 seconden besloeg.
Hoewel ‘No Tengo Dinero’ niet het fenomenale succes van ‘Vamos a La Playa’ evenaarde, werd het toch een substantiële hit. In Duitsland bereikte het de twaalfde plaats in de hitparade. In Italië piekte het op nummer tien in de Musica e dischi chart, en ook in Nederland haalde het de tiende positie. De single bewees dat Righeira geen eendagsvliegen waren, maar artiesten met een consistente visie die meerdere hits konden scoren.
Ook voor dit nummer werd een geanimeerde videoclip gemaakt door regisseur Pierluigi de Mas, die ook verantwoordelijk was voor de clips van ‘Vamos a La Playa’ en ‘Luciano Serra pilota’. De animatietechniek was voor die tijd nog relatief ongebruikelijk in muziekvideo’s, maar paste perfect bij het futuristische imago dat Righeira cultiveerde. De rotoscoop techniek maakte het mogelijk om de karakteristieke robotbrillen en geometrische achtergronden te creëren die het duo’s postmoderne esthetiek definieerden.
Righeira bleef actief tot hun eerste break up in 1992, na de release van het album ‘Uno, Zero, Centomila’. Ze herenigen zich in 1999 en maakten nieuwe versies van hun klassiekers, waaronder een herwerkte ‘Vamos a La Playa’ in 2001. Hun vierde album ‘Mondovisione’ verscheen in 2007, waarna ze in 2016 definitief uit elkaar gingen. De relatie tussen Righi en Rota was verslechterd, en beiden gingen hun eigen weg. Johnson Righeira bleef actief als solo artiest, richtte zijn eigen label Kottolengo Recordings op en treedt nog steeds regelmatig op. Hij doet ongeveer 40 tot 50 shows per jaar, waarbij hij Righeira klassiekers brengt.
