In de zomer van 1979 dreunde één melodie door danszalen van Parijs tot New York, van Berlijn tot Sydney. Een aanstekelijke discobeat met een simpele maar krachtige boodschap: we zijn geboren om te leven. Voor Patrick Hernandez betekende ‘Born to Be Alive’ zowel het hoogtepunt als het eindpunt van zijn carrière. Het nummer werd een wereldwijde sensatie die 52 gouden en platina platen opleverde, maar ook het stempel drukte van de ultieme one-hit wonder. Achter die ene hit schuilt echter het verhaal van een muzikant die jarenlang doorbikkelde in de schaduw, een nummer dat oorspronkelijk als rocksong werd geschreven, en een opvallende link met een danseres die kort daarna de wereld zou veroveren: Madonna.
Patrick Hernandez
Patrick Pierre Hernandez werd geboren op 6 april 1949 in Le Blanc-Mesnil, een voorstad ten noordoosten van Parijs. Zijn afkomst was even kleurrijk als de muziek die hij later zou maken. Zijn vader was van Spaanse origine, zijn moeder had Italiaanse en Oostenrijkse roots. Die multiculturele achtergrond zou zijn muzikale identiteit mede vormgeven, al was Hernandez door en door Frans in zijn aanpak en carrière.
De jaren zestig waren voor de jonge Hernandez een periode van muzikale ontdekking. Terwijl The Beatles en The Rolling Stones de wereld veroverden, speelde hij in lokale bands en toerde hij door danszalen in Zuid-Frankrijk. Het was een leerschool waar hij zijn ambacht verfijnde, ver van de schijnwerpers en zonder garantie op succes. Begin jaren zeventig werd Hernandez sessiemuzikant en begon hij samen te werken met andere Franse artiesten. Hij was onderdeel van het pop-rock trio Paris Palace Hotel, dat in 1975 een titelloos album uitbracht. Hun single ‘Back to the Boogie’ haalde bescheiden hitlijsten in Frankrijk, Duitsland en Nederland.
Maar het was zijn samenwerking met Hervé Tholance, een arrangeur en gitarist, die bepalend werd voor zijn verdere loopbaan. Samen ondersteunden ze gevestigde namen als Francis Cabrel en Laurent Voulzy. Hernandez bleef jarenlang in de schaduw werken, een betrouwbare muzikant die zijn brood verdiende zonder ooit het middelpunt te zijn. Voor velen was dat genoeg. Voor Hernandez was het een frustratie die groeide.
Born to Be Alive
Het verhaal van ‘Born to Be Alive’ begint al in 1973. Hernandez schreef het nummer toen als een akoestische compositie in de stijl van Bob Dylan, Leonard Cohen of Donovan, jaren voordat disco de dansvloeren zou domineren. Hij had het aanvankelijk ‘Born to Be Wild’ willen noemen, maar die titel was al bezet door Steppenwolf. Met Paris Palace Hotel nam hij in 1975 een rockversie op, maar er was geen enkel platenlabel geïnteresseerd. Het nummer verdween in een la, een vergeten poging die geen tweede kans leek te krijgen.
In 1978 kwam de doorbraak op het moment dat disco zijn absolute hoogtepunt bereikte. Hernandez ontmoette de Belgische producer Jean Vanloo, die potentie zag in de Franse zanger en hem een contract aanbood. Hernandez ging naar Waterloo in België om in de studio aan nieuw materiaal te werken. Hij bracht daar ongeveer een jaar door, werkend aan zes nummers in de Katy Studios. Hernandez zelf was aanvankelijk geen fan van disco, hij kwam uit de pop- en rockwereld. Maar Vanloo transformeerde het oude akoestische nummer tot een onweerstaanbare discotrack en werkte samen met Hernandez en gitarist Hervé Tholance aan de tekst. Waar Hernandez oorspronkelijk zong over rennen door de straat, voegden ze als grap het iconische “fine, fine, fine” toe, geïnspireerd door het soort uitroepen dat je hoort op bierfeesten. De oorspronkelijke energie bleef behouden, maar kreeg nu een pulserende four-on-the-floor beat, glimmende synthesizers en een aanstekelijk refrein dat eindeloos herhaalbaar was.
De single werd uitgebracht in november 1978 op het sublabel Aquarius Records. Het succes was direct en overweldigend. In januari 1979 ontving Hernandez zijn eerste gouden plaat in Italië. De track verspreidde zich als een lopend vuurtje door Europa. In Frankrijk bereikte het nummer in maart de eerste positie, waar het tussen maart en juli vijftien niet-opeenvolgende weken bleef staan. In België, Oostenrijk, Duitsland, Spanje, Denemarken, Noorwegen, Zweden en zelfs Portugal, Italië, Mexico en Nieuw-Zeeland stond ‘Born to Be Alive’ bovenaan de hitlijsten.
De Verenigde Staten volgden met een iets andere aanpak. Columbia Records bracht een geremixt versie uit, aangepast aan de Amerikaanse smaak. Het nummer bereikte de eerste plaats op de Billboard National Disco Action chart en klom naar positie 16 in de Billboard Hot 100. Het bleef negentien weken in die lijst staan, elf daarvan in de top 40. In het Verenigd Koninkrijk piekte het op nummer 10 en bleef het veertien weken genoteerd. Wereldwijd verkocht de single meer dan een miljoen exemplaren alleen al in de VS, en de totale verkoop leverde Hernandez tegen het einde van 1979 maar liefst 52 gouden en platina platen op uit meer dan vijftig landen.
‘Born to Be Alive’ paste perfect in de transitiefase die op dat moment plaatsvond in de muziek. Het nummer had de kenmerkende disco-energie met zijn onophoudelijke beat en het gebruik van synthesizers, maar het was ook toegankelijker en poppier dan veel andere tracks uit die tijd. Waar artiesten als Donna Summer met ‘Love to Love You Baby’ en Chic met ‘Le Freak’ dieper in de soulvolle en funkachtige disco doken, behield Hernandez een eenvoud die zowel op de dansvloer als op de radio werkte. Het nummer was geen trage, sensuele disco maar een opgewekte, uitbundige ode aan het leven zelf, en dat maakte het tijdloos genoeg om zelfs na de disco-implosie relevant te blijven.
De Madonna Connectie
Eén van de meest opmerkelijke voetnoten in het verhaal van ‘Born to Be Alive’ is de link met Madonna. Toen Hernandez zijn Amerikaanse tournee voorbereidde in 1979, organiseerden producer Jean Vanloo en zijn collega Jean-Claude Pellerin audities in New York voor een groep dansers die Hernandez op het podium zouden begeleiden. Onder de vele kandidaten was een jonge, nog onbekende danseres: Madonna Louise Ciccone. Ze was 19 jaar oud en maakte indruk met een optreden dat werd omschreven als oogverblindend en gekenmerkt door een sterke persoonlijkheid.
Ze werd geselecteerd en toerde enkele maanden met Hernandez in de zomer van 1979. De producers waren zo onder de indruk dat ze andere plannen hadden: ze wilden Madonna naar Parijs brengen om daar een zangcarrière te starten. Madonna ging inderdaad naar Parijs, maar na drie maanden keerde ze terug naar New York. Ze had andere ambities. Kort daarna vormde ze samen met Dan Gilroy de band The Breakfast Club, waarin ze aanvankelijk vooral drumde. Anderhalf jaar later had ze haar eerste platencontract. Eind 1982 scoorde ze haar eerste hitnotering met ‘Everybody’, en de rest is geschiedenis. Voor Hernandez bleef het een anekdote, een kleine maar fascinerende kruising van carrières op het moment dat de ene net zijn hoogtepunt bereikte en de andere nog moest beginnen.
Kelly Marie
‘Born to Be Alive’ kreeg door de jaren heen tientallen covers van internationale artiesten. De Spaanse popgroep Los Nikis veranderde de tekst naar ‘Me Voy a Benidorm’, een satirische verwijzing naar massatoerisme in de Spaanse kustplaats. De Deense gothic band Nekromantix nam een liveoptreden op die later verscheen op de heruitgave van hun album uit 1994, ‘Brought Back to Life’. De Afro-Cubaanse zanger Roberto Blanco werkte in 2001 samen met het Duitse DJ-team The Disco Boys aan een nieuwe versie.
Een van de meest opmerkelijke covers kwam in 1986 van de Schotse zangeres Kelly Marie, die het nummer een Hi-NRG behandeling gaf. Hi-NRG was een snellere, elektronischere variant van disco die vooral populair was in de gay club scene. Marie’s versie behield de energie van het origineel maar voegde een synthesizer-gedreven intensiteit toe die paste bij de mid-eighties clubcultuur. Ondanks de kwaliteit van de uitvoering haalde de single geen hitlijsten, mogelijk omdat de wereld inmiddels verder was getrokken naar synth-pop, new wave en de opkomst van house music. Toch bleef de versie een favoriet in de underground scene, waar de disco-erfenis doorleefde in nieuwe vormen.
In 2005 namen de Disco Kings een nieuwe versie op die wel enig succes behaalde. Het nummer piekte op nummer zeven in Finland, en bereikte bescheiden posities in Frankrijk, Oostenrijk en Duitsland. Het bewees dat ‘Born to Be Alive’ nog altijd een herkenbare kracht had, zelfs decennia na de originele release.
Disco Queen
Het album ‘Born to Be Alive’ verscheen in 1978 internationaal en in 1979 in de Verenigde Staten. Naast de titelsingle bevatte het een tweede single, ‘Disco Queen’, die in de winter van 1979 werd uitgebracht. Het nummer had dezelfde productiestijl als ‘Born to Be Alive’, met een dansbare groove en uptempo ritme, maar het miste de unieke onmiddellijkheid van zijn voorganger. ‘Disco Queen’ bereikte nummer 88 op de Billboard Dance Club Songs chart, vijf maanden nadat ‘Born to Be Alive’ die lijst had gedomineerd. Het was een bescheiden prestatie, maar in een tijd waarin disco al aan kracht verloor, was het voor velen een teken dat Hernandez niet in staat zou zijn zijn succes te herhalen.
Een ander nummer van het album, ‘Back to the Boogie’, was een bewerking van de oude Paris Palace Hotel-track, nu opnieuw opgenomen als een dansbaar duet met Hervé Tholance. In zijn nieuwe disco-incarnatie kreeg het nummer meer aandacht dan de rockversie ooit had gekregen. Het bereikte nummer 11 in Frankrijk en haalde de top 40 in Nederland en Duitsland. Het bewees dat Hernandez muzikaal talent had dat verder reikte dan één single, maar het was niet genoeg om hem uit de schaduw van ‘Born to Be Alive’ te trekken.
In het Verenigd Koninkrijk kreeg de B-kant van ‘Born to Be Alive’, getiteld ‘I Give You a Rendez-Vous’, een eigen leven. Het nummer verzamelde door de jaren heen meer dan een miljoen streams op Spotify en werd, na de titelsingle, Hernandez’ meest beluisterde track. Het was een langzamere, romantischer compositie die liet zien dat Hernandez ook buiten de discocultuur muzikaal iets te bieden had.
Na het succes van ‘Born to Be Alive’ bracht Hernandez in 1980 een tweede album uit, ‘Crazy Day’s Mystery Night’s’, en in 1981 een derde, ‘Goodbye’. De single ‘Goodbye’ bereikte de top 40 op de Belgische hitlijst, maar elders bleef commercieel succes uit. De verschuiving in muzieksmaak was onontkoombaar. Disco maakte plaats voor synth-pop, new wave en de vroege tekenen van house en techno. Radiostations gaven minder ruimte aan artiesten die geassocieerd werden met disco, en de verkoopcijfers lieten dat onmiddellijk zien.
Hernandez werd door de media al snel gelabeld als een one-hit wonder, een term die hem volgde ondanks zijn verdere pogingen om relevant te blijven. In 1983 bracht hij de single ‘Tallulah’ uit, die bescheiden succesvol was in Frankrijk. In 1988 verscheen een remix van ‘Born to Be Alive’ die opnieuw de top 20 bereikte in Nederland, een bewijs dat het nummer nog altijd levenskracht had.
Door de jaren heen bleef ‘Born to Be Alive’ een constante aanwezigheid. De track werd gebruikt in films zoals ‘Vegas Vacation’ uit 1997, waarin Chevy Chase de hoofdrol speelde, en in ‘State of Play’ uit 2009 en ‘Climax’ uit 2018. Het verscheen in dansgames zoals de ‘Pump It Up’-serie, waar nieuwe generaties het nummer ontdekten. Volgens schattingen verkoopt ‘Born to Be Alive’ nog altijd jaarlijks zo’n 800.000 exemplaren, vaak als onderdeel van compilatiealbums. De originele versie is meer dan 215 miljoen keer gestreamd op Spotify, met nog eens 20 miljoen voor remixes en alternatieve versies. De officiële videoclip heeft meer dan 200 miljoen views op YouTube.
Hernandez zelf trok zich grotendeels terug uit de muziekindustrie, al bleef hij af en toe optreden en verscheen hij in televisieprogramma’s, vooral in Frankrijk. In 1999 kwam een compilatiealbum uit ter ere van het twintigjarig jubileum van ‘Born to Be Alive’, met zowel de originele als de Amerikaanse remixversie. In 2012 was hij aanwezig bij de première van de film ‘Stars 80’ in Lille, een nostalgische blik op de muziek van zijn generatie. Patrick Hernandez mag dan een one-hit wonder zijn, maar die ene hit heeft een blijvende stempel gedrukt op de popmuziek.
