Er zijn bands. Er zijn orkesten. En dan is er Orchestra Baobab. Waar andere groepen functioneren als machines, met perfect getimede onderdelen die een voorspelbaar product leveren, is Orchestra Baobab iets anders. Een organisme. Levend, ademend, evoluerend.
Mountaga Koite knikt instemmend bij die observatie. De 72-jarige drummer, die al in 1974 toetrad tot deze legendarische formatie, laat een glimlach zien die zelf ritmisch lijkt te zijn. Naast hem zit Korka Dieng, de eerste vrouw in de 55-jarige geschiedenis van de band, elegant en onaangedaan, de rust zelve. “De jonge generatie, toen ze kwamen, omhelsden ze de geest van Baobab. Het is een geest. Iedereen die naar Baobab kwam en die geest niet kon omarmen, vertrok weer.”, begint Koite.
Een geest. Niet een muziekstijl, niet een formule, niet een merk. Een geest die in 1970 werd geboren in het souterrain van de rue Jules Ferry in Dakar, waar de elite van Senegal kwam dansen en zakendoen. Een geest die vijftien jaar stilte overleefde. Een geest die nu, in 2025, een nieuwe generatie heeft gevonden die hem niet alleen begrijpt, maar leeft.
Het souterrain waar de magie begon
“Op het Plateau”, zegt Mountaga als het gesprek op de locatie van Club Baobab komt. “Rue Jules Ferry, op het plateau.” Hij leunt achterover, zijn ogen krijgen die blik die mensen hebben wanneer ze zich een plek herinneren die niet meer bestaat maar nog steeds leeft. “Het was een souterrain. Je kwam binnen, ging naar beneden, en het was zo chic, zo geïsoleerd.”
De club werd in 1970 opgericht door zakenlieden en autoriteiten met connecties tot in het hart van de macht. Adrien Senghor, de neef van president Léopold Sédar Senghor, was een van hen. Ze hadden een visie: een complex in het centrum van Dakar waar diplomaten en zakenlieden konden eten, drinken, discussiëren, en dansen op de allerbeste muziek die Senegal te bieden had.
“Het moest een orkest zijn”, legt Mountaga uit. “Geen gewone band. Ze wilden vrienden uit de hele wereld daar laten komen. Dus hadden ze de beste muzikanten nodig. Ze kozen de muzikanten die in Club Miami speelden… Er waren toen twee echt getalenteerde muzikanten… Baro N’Diaye speelde saxofoon, Charlie N’Diaye speelde basgitaar.”
De Miami was een andere legendarische nachtclub waar alle muzikanten van Dakar neerheen trokken. De eigenaren van Club Baobab haalden er de beste weg. Bala Sidibe, Rudy Gomis, Attisso Barthélemi, Medioun Diallo, namen die nu door de jaren heen glimmen als geslepen diamanten. Ze vormden niet zomaar een band. Ze werden L’Orchestre du Club Baobab. En toen, in 1974, kwam een veertienjarige jongen met stokken in zijn handen en ritme in zijn bloed. Mountaga Koite.

“In ’75 hebben we ‘Baobab 75’ uitgebracht”, zegt hij met een mengeling van trots en nonchalance die alleen iemand kan hebben die vijftig jaar muziekgeschiedenis heeft gemaakt. “Daarvoor hadden ze al een album gemaakt, toen nog met Balla Sidibe op drums. Wij maakten geen grapjes. We maakten echt goede muziek. Er waren veel groepen. Maar wij zochten perfectie.” Die zoektocht naar perfectie bracht hen naar Frankrijk, naar internationale podia, naar erkenning die verder reikte dan de souterrains van Dakar. Maar zoals elke boom die te snel groeit, kwamen er scheuren.
Vijftien jaar van stilte
De jaren tachtig brachten verandering. Youssou N’Dour veroverde Senegal met mbalax, een nieuwe sound die sneller, luider, moderner was. Het publiek volgde. Orchestra Baobab, met hun verfijnde Afro-Cubaanse fusie, hun jazzy wendingen, hun geduldige groove, raakte in de vergetelheid. “We zijn een beetje uit elkaar gevallen”, zegt Mountaga rustig. “Bala Sidibe bleef, nam jonge muzikanten om door te gaan. Maar de rest… iedereen ging zijn eigen weg.”
Attisso Barthélemi ging rechten studeren aan de universiteit. Anderen verdwenen in andere projecten, andere levens. De instrumenten bleven achter bij Bala. De club sloot. Het souterrain werd kantoorruimte, later appartementen. Vijftien jaar lang was Orchestra Baobab een herinnering. En toen, in 2001, kwam Nick Gold. “Hij kwam naar Senegal”, vertelt Mountaga, “en dat was het moment dat alles weer begon.”
De Britse producer, bekend van de Buena Vista Social Club, had het oor dat hoorde wat anderen vergaten. Hij bracht de band weer samen. In 2002 kwam ‘Specialists in All Styles’, een album dat bewees dat de magie nooit was verdwenen, alleen even had geslapen. Maar de renaissance kwam met een prijs. De jaren waren niet vriendelijk geweest. Thione Seck, Medoune Diallo, Laye Mboup, Rudy Gomis, allemaal overleden. De founding fathers vielen één voor één.
En toch bleef de boom staan.
De nieuwe garde en de oude geest
Korka Dieng is 32 jaar oud. Haar vader speelde drums en keyboard bij de strijdkrachten en was bevriend met de originele leden van Orchestra Baobab. Zij groeide op met deze muziek in haar bloed, in haar DNA. Maar lid worden van de band? Dat was geen gegeven. Dat moest verdiend worden. “Ik deed twee keer hun voorprogramma”, vertelt ze over haar weg naar binnen. “Eén keer in het Radisson in Dakar, een andere keer in het King Fahd Palace. Beide keren zeiden ze tegen me: ‘We gaan je bellen, we gaan je bellen.’ ” Het belletje kwam. En toen het kwam, was het geen toeval.

“De connectie begon niet met mij”, legt ze uit. “Het begon lang voor mijn geboorte, met mijn vader. Ze waren vrienden. Daarom kon ik me bij de groep voegen.” Familie. Erfenis. Continuïteit. Orchestra Baobab is nooit alleen maar een band geweest. Het is een stamboom, letterlijk en figuurlijk.
Als het gesprek zich verplaatst naar de muzikale positie van Orchestra Baobab, wordt Korka’s stem nog stelliger. “In termen van muzikale kwaliteit behoort Orchestra Baobab tot de top 5 van wat West-Afrika heeft voortgebracht. Die kwaliteit”, zegt ze, “is het resultaat van iets dat maar weinig bands hebben: échte synergie. Het feit dat je een groep hebt, geeft ongelooflijke kracht… het is een échte groep waar iedereen zijn plaats heeft en samen iets bouwt dat het geheel vooruit duwt… het is echt een totale synergie waar iedereen met een andere toon komt en dat creëert een ongelooflijk weefsel.”

En dan, bijna terloops, laat ze de meest verwoestende waarheid vallen: “En hier hebben we een halve eeuw van synergie.” Vijftig jaar. Vijftig jaar van samen spelen, samen ademen, samen die onweerstaanbare groove creëren die generaties heeft laten dansen. Geen enkele machine kan dat. Alleen een organisme.
Waarom Baobab nu nog steeds relevant is
Als jonge bloedtoevoer heeft Korka een uniek perspectief op de positie van Orchestra Baobab in de hedendaagse muziekwereld. “Voor mij”, zegt ze, “was Orchestra Baobab al modern in hun tijd.” Het nieuwe album, vertelt ze, zal nieuwe klanken hebben. Maar het zal ook trouw blijven aan de essentie. Want moderniteit bij Baobab is geen kwestie van het toevoegen van elektronica of het najagen van trends. Het is het voortzetten van wat ze altijd al deden: perfectie zoeken.
“Met de streamingplatforms ontdekken mensen muziek die ver van hen lijkt, en er is niets gedateerd, want muziek van 50 jaar geleden is nog steeds even fantastisch… mensen die het ontdekken zeggen: dit is ongelooflijk. En dan komen ze naar een concert en zeggen: maar ze spelen echt!”
“Ze spelen echt.”, zegt Korka. In een tijdperk van playback, autotune, en hologrammen van overleden artiesten, is dat een revolutionaire daad. “Welke discipline je ook beoefent, als je je erop concentreert en er de uren in steekt, word je een virtuoos. En dat hebben zij gedaan.” Virtuositeit. Het woord valt en blijft hangen in de lucht. Want dat is het. Dat is het verschil tussen een band die oude hits herhaalt en een band die een levende traditie voortzet. “Ze hebben het zo in steen gegrift dat wij… ze hebben het verankerd in de aderen van Senegal. Het is onderdeel van het DNA van Senegal.”

Eerder in het gesprek kwam het nieuwe album al aan bod. ‘Made in Senegal’, zal het heten. Release: maart 2026. “We hebben veel nummers opgenomen die we nog niet hebben geselecteerd”, legt Mountaga uit. “We zijn bezig met de artwork, maar we hebben nog niet gekozen welke nummers op het album komen.” Er hangt spanning in zijn stem. Verwachting. “We kunnen nu niet met zomaar iets komen.” Na vijftig jaar, na alle klassiekers, na alle erkenning, voelen ze nog steeds de druk om te leveren. Beter nog: ze omarmen die druk.
“Ik denk dat we een prachtig album hebben”, zegt Korka met een glimlach. “Het is een magnifieke fusie tussen twee generaties. Baobab wás al modern, verklaart ze. Dus het blijft modern. Het nieuwe album zal nieuwe klanken hebben, maar de essentie, die blijft. Het is een échte groep waar iedereen zijn plaats heeft en samen iets bouwt dat het geheel vooruit stuwt.”
De manager, Habib Baye, heeft dezelfde leeftijd als de band. Hij toerde ooit met de originele line-up, en nu managet hij de vernieuwde versie. Ook hij is onderdeel van die continuïteit, die ononderbroken lijn tussen verleden en toekomst. “Een moedige jongen”, zegt Mountaga over hem. “Hij weet wat hij doet. Hij weet hoe hij moet managen, ik beschouw hem als mijn zoon.”
Familie. Vriendschap. Vertrouwen. Het zijn de oude waarden die deze nieuwe incarnatie mogelijk maken.
De boom die niet omvalt
In een tijdperk waarin bands uit de jaren zeventig vooral nostalgische geldmachines zijn geworden – kaartjes voor honderden euro’s, playbacktracks, hologrammen van overleden leden, is Orchestra Baobab iets anders. Ze zijn niet bezig met het verleden. Ze zijn bezig met nu. Met muziek die evolueert. Met jonge muzikanten die de fakkel overnemen zonder de vlam te doven. Met een sound die in 1970 revolutionair was en in 2025 nog steeds vitaal is.
Léopold Sédar Senghor had een visie: een club waar de besten speelden voor de besten. Die club bestaat niet meer. Het souterrain is een appartementencomplex. De rue Jules Ferry herinnert zich niet meer de nachten van extase en diplomatie. Maar de boom die ervoor werd geplant, staat nog steeds. Sterker: hij bloeit.

Afro-Cubaanse magie kent geen vervaldatum, een groove die generaties overbrugt, virtuositeit die tijdloos is. En een Baobab-boom die niet omvalt. “Iedereen die naar Baobab kwam en die geest niet omarmde, vertrok.” Die geest blijft. Die geest evolueert. Die geest vindt nieuwe harten, nieuwe handen, nieuwe stemmen. En in maart 2026, wanneer ‘Made in Senegal’ uitkomt, zal de wereld opnieuw horen wat Heerlen al weet: Orchestra Baobab is geen museum. Het is een levend, ademend organisme.
En het beste moet nog komen.
Foto’s (c) Jan Vranken
