Ergens in maart 1965, terwijl Amerika worstelde met Vietnam en burgerrechten, zat Thelonious Monk op een vliegtuig naar Europa. De pianist met zijn gekantelde baret en zijn nog kantiger akkoorden was onderweg naar een wereldtournee, pas gestart bij Columbia Records na jaren bij Riverside. Europa, altijd al warmer voor jazz dan Amerika, wachtte gretig. Maar wat niemand wist: in de Sendesaal van Radio Bremen in Duitsland zou op 8 maart een historische opname plaatsvinden die pas zestig jaar later zijn officiële release zou krijgen.
‘Bremen 1965′, nu uitgebracht door Sunnyside Records, is meer dan alleen een archiefrelease. Het is een tijdcapsule van Monk op het hoogtepunt van zijn krachten, met wat critici nu beschouwen als zijn laatste grote kwartet, Charlie Rouse op tenorsax, Larry Gales op bas en Ben Riley op drums. Dit was een band die pas maanden samen speelde, maar al die telepathische connectie had bereikt waar andere ensembles jaren voor nodig hebben.
De opname zelf, geremasterd van de originele Radio Bremen-banden met toestemming van NDR en Monk’s zoon T.S. Monk, klinkt verbazingwekkend helder. Jarenlang circuleerde deze show als gebootlegde bandopnames met grauwe audio, maar nu hoor je eindelijk elk detail: Gales’ ronkende baslijnen, Riley’s subtiele drumswerk, Rouse’s rijke toon en natuurlijk Monk’s percussieve pianoklanken die door de composities scheuren.
Het openingsnummer ‘Criss Cross’ zet meteen de toon. Monk’s hoekige akkoorden botsen tegen Rouse’s meer lineaire lijnen, een soort muzikale schaakpartij waar beide spelers meerdere zetten vooruit denken. De solo’s zijn uitgebreid, over elf minuten, maar nooit zelfvoldaan.
Waar ‘Bremen 1965′ echt schittert, is in Monk’s behandeling van standards. ‘Sweet and Lovely’ krijgt een trage, bedachtzame aanpak waarbij Monk het sentimentele karakter van de melodie afbreekt en blootlegt tot op de harmonie. Rouse brengt vervolgens de tederheid terug, een perfecte balans tussen abstractie en lyriek. Bij zijn solo-interpretatie van ‘Don’t Blame Me’ transformeert Monk het nummer tot een meditatie over timing en ruimte, wat critici omschreven als een conversatie met de stilte zelf.
De Monk-composities, ‘Well You Needn’t’, ‘Epistrophy’ en ‘Rhythm-a-ning’, tonen een band volledig op hun gemak in Monk’s eigenzinnige muzikale taal. De recensie van All About Jazz benadrukt terecht de telepathische interactie tussen de muzikanten. Bijzonder opvallend is hoe Gales en Riley, relatieve nieuwkomers in het kwartet die bassist John Ore en drummer Frankie Dunlop hadden vervangen, al volmaakt ingespeeld zijn op Monk’s onvoorspelbare ritmes en timing.
Deze periode, begin 1965, was cruciaal voor Monk. Net getekend bij Columbia, met het album ‘It’s Monk’s Time’ nog vers van de pers, stond hij op het kruispunt tussen commercieel succes en artistieke vrijheid. Wat ontstaat is een portret van Monk niet als de raadselachtige genie bevroren in jazzlegenden, maar als kunstenaar mid-stride, levend, rusteloos en vrolijk onvoorspelbaar.
Europa was in 1965 essentieel voor jazzmusici. Het continent bood een respect en artistieke vrijheid die ze thuis vaak misten. Bremen was de tweede stop van een wereldtournee die het kwartet door Europa, Australië en Japan zou voeren. De opname vond plaats in Radio Bremen’s legendarische Sendesaal, Studio F, voor een verwachtingsvol publiek.
Charlie Rouse verdient speciale vermelding. De tenorsaxofonist, die vanaf 1959 tot 1970 bij Monk zou blijven, wordt vaak onderschat in vergelijking met eerdere partners als John Coltrane of Sonny Rollins. Maar Rouse was de perfecte foil voor Monk’s eigenzinnige aanpak, economisch maar gewaagd, warm maar ritmisch uitdagend. Op ‘Rhythm-a-ning’ hoor je hoe beide muzikanten tegen elkaar opbotsen met harmonische vreugde.
De productiekwaliteit verdient aparte vermelding. Sunnyside heeft niet alleen toegang gekregen tot de originele Radio Bremen master tapes, maar ook uitgebreid liner notes van historicus Bret Sjerven toegevoegd. Het pakket, beschikbaar als dubbel-CD, dubbel-LP en digitaal in hi-res 24-bit/96kHz, behandelt deze muziek met het respect dat het verdient.
Myers benadrukt in zijn recensie dat bij veel live Monk-opnames de bas en drums moeilijk te horen zijn door inferieure opnameapparatuur. Hier niet. “Je kunt Gales en Riley glashelder horen,” schrijft hij. Die helderheid maakt het verschil tussen een interessante archiefvondst en een essentiële release.
Als er kritiek mogelijk is, dan is het dat ‘Bremen 1965′ zich vooral richt op de Monk-kenner. De uitgebreide improvisaties en Monk’s karakteristieke aanpak kunnen voor onwetenden uitdagend zijn. Maar voor wie Monk’s muzikale taal spreekt, is dit een openbaring.
Zestig jaar na die avond in Bremen krijgen we eindelijk de kans om te horen wat een vol zaaltje Duitsers in 1965 heeft ervaren: Thelonious Monk in absolute topvorm, een meester die zijn instrumentale poëzie deelde met een kwartet dat elk woord begreep. Dit is essentieel luistermateriaal voor jazzliefhebbers, een tijdsdocument van toen jazz nog de wereld kon veranderen, één dissonant akkoord per keer. (8/10) (Sunnyside Records)
