In zijn thuisstudio in Voorburg, omringd door zelfgebouwde apparatuur en een basgitaar met een capo, zit Rinus Gerritsen te filosoferen over de kunst van het fout spelen. “Uniek zijn is heel simpel”, zegt hij met een glimlach die de wijsheid van vijftig jaar rockmuziek verraadt, “je hoeft alleen maar jezelf te zijn, dat kan niemand evenaren.”
Voor de meeste mensen is Rinus Gerritsen de bassist van Golden Earring, de band die Nederland op de wereldkaart van de rockmuziek zette. Vijftig jaar lang stond hij naast George Kooymans, Barry Hay en Cesar Zuiderwijk, en samen creëerden ze een geluid dat generaties inspireerde. Maar wie Rinus echt kent, weet dat hij veel meer is dan alleen de man achter de bas. Hij is een uitvinder, een doe-het-zelver, een muzikale filosoof die zijn eigen pad bewandelt, letterlijk en figuurlijk.
Afscheid van een tijdperk
Het einde van Golden Earring kwam niet als een donderslag bij heldere hemel. Corona legde de wereld al stil toen de eerste signalen zich bij George aandienden. “Het gebeurde tijdens corona”, vertelt Rinus, “dus we waren al in een rustperiode.” Het was een tijd van reflectie, van nadenken over wat er was geweest en wat er nog zou komen. Toen de definitieve beslissing viel om te stoppen, was het pijnlijk maar niet onverwacht.
“George zei: ‘Ik vind het wel mooi geweest'”, vertelt Rinus over het besluit van zijn bandgenoot van vijf decennia. Het was een beslissing die respect afdwong, maar die tegelijkertijd een groot gat achterliet in het leven van vier muzikanten die hun hele volwassen bestaan samen deelden. Voor Rinus betekende het ook het einde van een tijdperk.
Maar waar anderen misschien zouden capituleren, ziet Rinus een kans. “Mijn leven hangt aan toeval aan elkaar”, bekent hij, “ik was niet op zoek naar een andere band. Ik zat in mijn studio, ik maakte dingen.”
Van Golden Earring naar Supersister: Een onverwachte wending
De overgang van Golden Earring naar Supersister lijkt op het eerste gezicht een vreemde keuze. Van één van Nederlands grootste rockbands naar een progressieve formatie die zijn hoogtijdagen kende in de vroege jaren zeventig, het is niet de meest voor de hand liggende carrièrestap. Maar voor Rinus is het precies de uitdaging die hij zoekt.
Het verhaal begint eigenlijk in 2021, toen Robert-Jan Stips, toetsenist en oprichter van Supersister, vijftig jaar in het vak zit. Over hem wordt de documentaire ‘De Tovenaar van de Nederpop’ gemaakt. In het kader van die documentaire speelt Rinus samen met Robert-Jan en andere popmuzikanten in een strandpaviljoen. Het is die sessie die Robert-Jan op een idee brengt.
“Toen vroeg Robert-Jan aan mij: ‘Wil jij misschien bas spelen?'”, zegt Rinus. De oorspronkelijke bassist heeft andere verplichtingen, en de band zoekt iemand die het repertoire van ’68 tot ’73 kan uitvoeren. Voor Rinus is het een duik in het diepe. “Dat is nogal wat”, geeft hij toe, “ik moest ‘eventjes’ naar al die muziek luisteren en dan dat gaan uitvoeren.”
Maar hier komt de filosofie van Rinus Gerritsen het mooist naar voren. Toen Stips hem vroeg of hij Ron van Eck, de oorspronkelijke bassist, zou gaan proberen na te spelen, is zijn antwoord glashelder: “Ja, sorry RJ, maar ik ga dus niet eens proberen.”
Het is een moment van waarheid. Rinus weet dat hij de technische perfectie van conservatoriumgetrainde muzikanten nooit zal evenaren. “Die zitten allemaal perfect, en die kunnen lezen. En je hoort, je merkt het gelijk dat het uit die klassieke hoek komt. Ook die loopjes, geïnspireerd door Bach en weet ik het allemaal, het is anders. En ik ben rock-‘n-roll”, zegt hij. Maar Robert-Jan wil iets anders. “Ik wil juist dat je het op jouw manier doet”, geeft hij aan. En dat is precies wat Rinus wil horen. “Dan ga ik aan de slag en dan geef ik het een gooi.”
De foute manier als kracht
“De foute manier!”, roept Rinus uit toen hem wordt gevraagd naar zijn speelstijl. “Mijn manier van spelen… Als ik naar ‘echte’ bassisten kijk, zoals je het leert, dus dat klopt helemaal niet wat ik doe. Maar ik ben wel herkenbaar. Mijn notenkeuze is anders.” Het is een filosofie die hij al vroeg in zijn carrière ontwikkelt, samen met George Kooymans. “We hebben nooit les gehad. Golden Earring kon in het begin helemaal geen covers spelen, het lukte gewoon niet om liedjes na te spelen. Ik kon alleen maar op onze manier. En dan merk je gewoon dat je iets ontwikkelt.”
De doorbraak in zijn denken komt wanneer een pianist hem vertelt: “Jij doet alles fout, maar daardoor kom je op dingen waar ik nooit op zou komen.” Het is een openbaring die Rinus’ hele muzikale filosofie bepaalt. “En dat was een hele wijze les. Dat heeft mij geholpen.”
Een ander cruciaal moment is wanneer hij Gilbert O’Sullivan ziet optreden bij Top of the Pops. “Die zat een te gekke song te zingen achter zijn piano, die zat gewoon zo te spelen, één hand, alleen zo. Ik zei: ‘Verrek, die doet dat ook!’ Dus het kon wel, je kon ook een te gekke song schrijven op die manier.”
Het leidt tot zijn kernfilosofie:
“Als je iets doet wat jezelf verzint en wat je alleen maar zelf kunt, omdat je het misschien fout doet, dan ben je herkenbaar.”
Die aanpak, die door Robert-Jan wordt aangemoedigd en Rinus alle ruimte geeft, resulteert in een Supersister die nog steeds herkenbaar is als de band van vroeger, maar die onmiskenbaar meer groove en levendigheid krijgt. Rinus zorgt voor een synergie met zijn twee muzikaal hooggeschoolde bandmaten, een typisch geval van 1 + 1 = 3. Waar de oorspronkelijke Supersister soms dreigde te verdrinken in technische virtuositeit, brengt Rinus’ rock-‘n-roll DNA een aardse kracht die de complexe composities ten goede komt.
De uitvinder in de muzikant
Rinus Gerritsen is niet alleen een bassist, hij is ook een uitvinder. Zijn studio staat vol met zelfgebouwde apparatuur en aangepaste instrumenten die zijn unieke geluid vormgeven. Zijn bas is stereo, met verschillende pickups die naar verschillende versterkers gaan. “Die lipsticks gaan apart uit en de andere elementen ook. Via een stereo kabel stuur ik met de lipstick-elementen een gewone gitaarversterker aan en met de bas-elementen een basversterker. Dan heb ik het diepe basgeluid, maar tegelijk via de lipstick-elementen meer crunch. En dat combineer ik dan.”
Het meest opvallende van zijn eigen bedenksels is misschien wel het gebruik van de capo’s op zijn bas. “Er staan heel veel bassisten naar te kijken: ‘Wat heb jij nou? Ik heb nog nooit een bassist met een capo gezien'”,lacht hij. Het is typisch Rinus: een oplossing vinden voor een probleem dat anderen niet eens zien.
“Ik speel heel graag in een D-stemming” legt hij uit, “dan kan ik wel naar vijfsnarig gaan, maar ik dacht: ik ga de hele gitaar een toon lager stemmen. En dan blijkt die ineens de groove te hebben van een short-scale, want er zit meer rek in de snaren.” De capo geeft hem de flexibiliteit om tussen verschillende stemmingen te wisselen. “Dan zet ik die capo gewoon op de tweede fret en dan heb ik gewoon een short-scale.”
Ook zijn legendarische Taurus-pedalen ondergaan een metamorfose. Van de oorspronkelijke analoge synthesizer wordt het een volledig MIDI-systeem, zelfgebouwd met onderdelen uit een soldeerwinkel.
“Ik ben gewoon eigenlijk de ultieme doe-het-zelver,”
Nieuwe wegen
Na vijftig jaar in de muziekindustrie heeft Rinus Gerritsen geen plannen om het rustiger aan te doen. Integendeel, hij omarmt de nieuwe mogelijkheden die de digitale wereld biedt. “Als je een plaat uitbrengt, er is geen hond die ernaar luistert en het wordt niet gedraaid”, constateert hij realistisch, “maar als er een cadans in komt… bijvoorbeeld elke zes weken iets uitbrengen en uiteindelijk zie je dat dat gaat rollen.”
In september start een ambitieus project: podcasts gemaakt aan zijn eigen keukentafel, gecombineerd met nieuwe muziek. “Dan hebben we de gastvocaliste of de drummer erbij, de rest heb ik zelf gespeeld. Dan bespreken we zo’n nummer. Dan brengen we straks een nummer uit met een podcast erbij, met alles erop en eraan, ook met beeld.” De eerste podcast met Berget Lewis is inmiddels klaar en zal in september te beluisteren zijn.
Ook werkt hij aan een heruitgave van zijn soloalbum dat hij in de jaren zeventig met Mike van Dijk maakte. ‘Gerritsen en van Dijk’ is een project waar hij al langere tijd aan werkt. “Ik had gewoon iets van: ik wil muziek maken, maar gewoon ook zelf distribueren”, vertelt hij. Het album zal waarschijnlijk ook niet op de traditionele manier worden uitgebracht, maar misschien wel nummer voor nummer, elk vergezeld van een podcast waarin het ontstaan wordt besproken.
“Dan een maand later een ander nummer. Zo kun je weer een jaartje door”, filosofeert hij. Het is een nieuwe manier van werken, die past bij zowel de moderne muziekindustrie als bij Rinus’ doe-het-zelf mentaliteit.
De cirkel rond
Terwijl de zon door de ramen van zijn zelfgebouwde studio valt, reflecteert Rinus Gerritsen op een carrière die alles behalve conventioneel verloopt. Van Golden Earring naar Supersister, van analoge synthesizers naar MIDI-systemen, van fysieke albums naar digitale podcasts, hij omarmt elke verandering met de nieuwsgierigheid van een kind en de wijsheid van een veteraan.”Het goede van rock-‘n-roll is dat het persoonlijk is, het is emotie van personen”, zegt hij, “het is geen act, het wordt voor velen wel steeds meer een act, jammer genoeg. Maar de echte oude artiesten, dat waren ze zelf.”
In een wereld die steeds meer geobsedeerd raakt door perfectie en technische virtuositeit, blijft Rinus Gerritsen een pleitbezorger voor het tegenovergestelde. Zijn boodschap is nog steeds eenvoudig maar krachtig: durf jezelf te zijn, ook al, of juist omdat , je het ‘fout’ doet.
“Uniek zijn is heel simpel, want je hoeft alleen maar jezelf te zijn, dat kan niemand evenaren.”
Het is een les die hij vijftig jaar eerder leerde in de begindagen van Golden Earring, en die hij nu, in zijn nieuwe incarnatie als Supersister-bassist, opnieuw aan het bewijzen is. Sommige dingen veranderen nooit. En dat is maar goed ook.