Homo ludens, de spelende mens. Johan Huizinga introduceerde het begrip in 1938 in zijn gelijknamige boek en het is de rode draad die al jaren door het werk van Robert Jan Stips loopt. Bij Supersister, bij Nits en zaterdagavond ook in de Kleine Zaal van het Parkstad Limburg Theater in Heerlen. Daar stond de inmiddels 76-jarige tovenaar van de Nederpop samen met violiste Marieke Brokamp. En opnieuw bleek: deze man is nooit opgehouden met spelen.
De Kleine Zaal was goed bezet met liefhebbers. Het kleine podium zorgde voor een intieme sfeer, bijna een huiskamer en dat paste precies bij wat het duo die avond kwam brengen. Stips bleek andermaal een meesterverteller die de mensen moeiteloos bij de les hield. Dat is geen wonder, wie een loopbaan heeft van Supersister via Golden Earring, Sweet d’Buster en Transister naar Nits, heeft wat te vertellen.
Rustig aan doen staat niet in zijn agenda. De opnames voor een nieuw Nits-album zijn net afgerond. Een tournee met StipsGoulding zit erop, en een dag na Heerlen stond hij alweer in Bergen op Zoom, bij het gitaargala ter ere van George Kooymans. Ook dit duo met Brokamp wil hij volgend jaar graag voortzetten met een tournee, vertelde hij Maxazine na afloop. Maar eerst wacht een Europese tournee met Nits. Het houdt hem van de straat.
Brokamp is een Zeeuwse, klassiek geschoolde violiste die bijna twintig jaar in Het Zeeuws Orkest speelde. Ze werkt sinds 2014 met Stips samen. Ze is zijn stille compagnon: geen showvioliste die het podium opeist, maar een muzikante die precies speelt, mooi kleurt en weet wanneer ze moet wijken. Het duo is hoorbaar goed op elkaar ingespeeld.
Van een engel naar een klok
De avond opende met ‘Meeting My Angel Today’. Stips schreef het bij een schilderij van zijn broer Wouter, voor diens overzichtstentoonstelling Kind van 70 in Singer Laren in 2014. Dat is meteen een statement: muziek die uit beeldende kunst voortkomt, gespeeld door een duo dat voortdurend tussen werelden heen en weer pendelt. Daarna volgde ‘Never in a 100.000.000 Dreams’, van het recente Supersister-album Nancy Never Knew en ‘Exercise Number 1’. Dat stuk stamt uit de coronatijd, toen Stips zichzelf compositieoefeningen oplegde. Zelfs in de lockdown bleef de spelende mens aan het werk.
Met ‘Pudding en Gisteren’, overlopend in ‘She Was Naked’, reisde het duo terug naar het begin van de jaren zeventig. Wat in Supersister nog avant-gardistische progrock was, bleek in een bezetting van viool en piano opvallend zangerig. Dat Stips direct daarna Schubert speelde, een van diens impromptu’s, was minder vreemd dan het klinkt. Bij Stips verschuiven de grenzen tussen pop en klassiek zonder dat je het merkt.
Het eerste hoogtepunt van de avond was ‘The Bauhaus Chair’, van de Nits-mini-lp ‘Hat’ uit 1988, met de prachtige, breekbare zang van Brokamp. Toen Nits in oktober 2024 in de grote Rabozaal van hetzelfde theater hun gouden jubileum vierden, kreeg het nummer een nieuwe dimensie, schreef Maxazine destijds, door Stips’ subtiele verschuiving van kerkorgel naar strijkers. Twee jaar later, een paar zalen verderop, stonden die strijkers er echt: één viool en een vrouwenstem. Het nummer groeit door kleiner te worden, en juist zo hoor je wat een geweldige compositie dit eigenlijk is. En ja, ook hier pakte Stips her en der een septiem of een kwint bij, zomaar, omdat het kan. Wie hem een beetje kent, weet hoeveel plezier hij daar zelf aan beleeft. Homo ludens, opnieuw.
De eerste set sloot met ‘The Clock’ van Transister, de band die Stips in 1979 oprichtte na zijn vertrek bij Sweet d’Buster. Ze maakten maar één album, ‘Zig-Zag’, en dan was het voorbij. Stips probeerde destijds gitarist Dany Lademacher binnen te halen, vertelde hij Maxazine vorig jaar. Met Lademacher speelde hij later in Eindhoven een midzomernachtsessie met nummers die voor dat Transister-album bedoeld waren. “Een band als Innersleeve krijgt in Nederland niet de tijd die nodig is om aan te slaan”, zei hij over de supergroep van Lademacher, en voor Transister gold hetzelfde. Dat ‘The Clock’ bijna een halve eeuw later weer klinkt, is daarom geen nostalgie maar consequentie. Wie Stips en Nits een tijd volgt, ziet het steeds weer: ze maken opvallend consistente keuzes. Stips gooit niets weg. Hij herschikt.
Greyhound uit de vergetelheid
Na de pauze kwam het mooiste cadeau van de avond. Stips opende met twee nummers van Greyhound, zijn soloalbum uit 1998 dat bij velen nauwelijks bekend is. Dat hij dat album weer op het netvlies brengt, verdient alleen al een dankjewel.
‘Real Indians’ was het hoogtepunt van de avond. Stips vertelde erbij hoe hij als jongen speelde met de cowboy- en indianenfiguurtjes die je kreeg bij een pak Omo-waspoeder. Het is het soort verhaal dat bij Stips nooit sentimenteel wordt. Hij vertelt het droog, met een glimlach, en daarna laat hij de muziek het werk doen. Een kind dat speelt op de vloer van een Haagse huiskamer, en een man van 76 die op een podium in Heerlen nog altijd hetzelfde doet. Huizinga had het niet mooier kunnen bedenken.
Het andere hoogtepunt kwam van hetzelfde album: ‘Sunrise at Midnight’. Stips schreef het nadat hij een documentaire had gezien over een gevangene in een Amerikaanse dodencel. Op het origineel speelt Cora den Haring cello, en er lopen sequencer en synthesizers onder. In Heerlen klonk het zonder al die lagen, met alleen piano en een viool in een net iets ander register dan die cello. Het nummer werd er kaler door, en misschien wel mooier dan het origineel.
Daarna liet het duo zien hoe breed het speelveld is. Een echte potpourri van Beethoven-melodieën zorgde voor gegrinnik in de zaal. Na ‘I Am a Camera’ volgde een prelude van Gershwin, waarmee de belofte uit de aankondiging werd ingelost: van Schubert tot Gershwin. Met ‘No More Cricket’ van Sweet d’Buster haalde Stips nog een hoofdstuk uit zijn eigen geschiedenis van stal, een dag voordat hij in Bergen op Zoom weer naast zijn oude bandmaat Bertus Borgers zou staan.
Toen kwam het theatrale moment van de avond. Bij ‘Adieu, Sweet Bahnhof’ ging achter op het podium een deur open, en daar stond een grote concertvleugel. Stips nam plaats en speelde het Nits-nummer uit 1984 op die vleugel, met Brokamp opnieuw op zang. Een lied dat in Carré en Straatsburg nog woord voor woord door volle zalen werd meegezongen, klonk hier als een intiem afscheid. Het slot was voor ‘I Am You Are Me / Transmitter’ van Retsis Repus, het Supersister-album uit 2019. Ook live blijft dat nummer een showcase van vakmanschap. Als toegift volgde ‘Cars and Cars’, van het Nits-album Ting uit 1992.
Het kind is er nog
De combinatie van piano en viool blijkt verrassend goed te werken voor de composities van Stips. Zonder bandgeweld, zonder synthesizers en zonder elektronica komen de melodieën bloot te liggen, en die blijken stevig genoeg om het alleen te dragen. Stips heeft het publiek aan zijn lippen, Brokamp kleurt, ondersteunt en tilt op. De speelse communicatie die we kennen van Nits-concerten, de blikken, de kleine grappen en het samen zoeken, zag je ook hier terug.
“Alles wat ik doe is een reactie op iets dat ik eerder gedaan heb”, vertelde Stips Maxazine in 2022 aan een Delftse gracht. In Heerlen klonk dat als een programma. Een schilderij van zijn broer, een vergeten soloalbum, een band met maar één plaat, een Nits-nummer dat in een grote zaal nog strijkers uit de toetsen kreeg: alles kwam terug, herschikt voor viool en piano. Dat is geen terugblik. Het is wat een spelende mens doet: steeds opnieuw beginnen met wat hij al heeft.
In Straatsburg schreef Maxazine twee jaar geleden over Nits: “Ze spelen nog steeds, het kind is er nog.” In de Kleine Zaal van het Parkstad Limburg Theater bleek dat ook zonder Hofstede en Kloet te gelden. Stips speelt, en Brokamp speelt met hem mee. Wie volgend jaar de kans krijgt om dit duo op tournee te zien, moet die grijpen.
Foto’s (c) Jan-Willem Bullee

