Richard Thompson houdt van een goed verhaal en van een slechte afloop. Op zijn twintigste soloalbum ‘Hippies, Thugs And Heroes’ krijgen ze beide ruim baan. Twaalf nummers, een band die live en in een paar takes speelde, en een zanger van zevenenzeventig die nog altijd weet hoe je een gitaar laat vertellen wat woorden niet kunnen.
De Brit begon zestig jaar geleden bij Fairport Convention, de band die hij mede oprichtte en die de Engelse folkrock vorm gaf. Daarna volgde een tijd als duo met Linda Thompson, en sinds 1983 gaat hij op eigen kracht verder. Zijn vorige plaat ‘Ship To Shore’ uit 2024 werd goed ontvangen. Nu produceerde hij zelf, samen met James Frazee, in Weehawken in New Jersey. Volgens Thompson zit er deze keer minder van de band in en meer van hemzelf.
Het album opent met ‘The Sorcerer’s Apprentice’, een jangelend Byrds-achtig liedje over een volgeling die zich wil losmaken van een dominante goeroe. Thompson put daarbij uit zijn eigen ervaringen met spirituele bewegingen uit de jaren zeventig. Direct daarna volgt ‘Cocaine Walking, Booze Talking’, een stampende barbandgroove vol Londense gelukzoekers. De lach zit er, maar de ellende ligt op de loer.
‘Pauper’s Grave’ beschrijft nuchter een begrafenis waar niemand komt. Wie bij Thompson een lichte kijk op de dood zoekt, is aan het verkeerde adres, maar juist de droge toon maakt het nummer scherp. ‘Unsung Hero’ is een eerbetoon aan de mensen die het zware werk doen, met een traag funkritme en een gitaarsolo die hoekig en bijtend klinkt. ‘She Burns It All’ is een duistere, bijna bezwerende ballade over hekserij. ‘Everybody’s Stealing’ laat met mandoline en een music hall sfeer de speelse kant horen, al schuilt er dreiging onder de vrolijkheid. ‘The Soul In Me’ zet de mandoline in voor een klaaglijke toon over een afgewezen minnaar, en ‘The Big Smoke’ droomt van een nieuw begin in de grote stad.
Zara Phillips, zijn echtgenote, zingt mee op ‘Pipe Dreams’. Het duet is een lichtpunt op een plaat die verder weinig illusies koestert over de liefde. ‘Stringer’ is een van de duistere figuren van het album, een moordenaar die door gitaar, viool en accordeon wordt neergezet. Afsluiter ‘Siren’ is kaal, alleen stem en akoestische gitaar, en bevat de enige echte hoop van het geheel.
Wat opvalt is de beheersing. Geen nummer rekt zichzelf op en geen solo staat voor spek en bonen. De live opnames geven de songs een directe, lichamelijke kracht. Af en toe is de somberheid wat dik aangezet, en wie de oudere platen van Thompson kent, hoort geen nieuwe richting.
Maar dat hoeft ook niet. ‘Hippies, Thugs And Heroes’ is het werk van een vakman die zijn terrein kent en daarin nog steeds verrast. Voor wie Thompson al jaren volgt is het een warm weerzien. Voor wie nog moet beginnen aan zijn omvangrijke oeuvre is het een goede plek om in te stappen. (9/10) (New West Records)
