Voor blues- en jazzliefhebbers was Robben Ford bepaald geen onbekende naam. De inmiddels 74-jarige gitarist heeft een cv opgebouwd waar menig muzikant alleen maar van kan dromen. Zo speelde hij mee op platen en ging hij op tournee met onder anderen Joni Mitchell, Little Feat en George Harrison. Vanuit de jazzhoek werkte Ford bovendien samen met een grootheid als Miles Davis, onder meer tijdens het North Sea Jazz Festival. Geen kleine meneer dus, deze Robben Ford.
Toch was hij, gezien de gemiddelde pensioengerechtigde leeftijd van het aanwezige publiek, niet direct een gevestigde naam voor de jongere generatie. Die zocht het wellicht eerder in de hoek van John Mayer, Joe Bonamassa en Marcus King. Het mooie van die muzikale circle of life was dan weer dat juist deze grootheden hun waardering uitspraken voor Robben Ford.
Voor deze gelegenheid verscheen Ford in de Cacaofabriek in Helmond met zijn trio. Hij vertelde dat hij zijn bandbezetting aanpaste aan de grootte van de zaal. In dit geval had hij ervoor gekozen de blazerssectie thuis te laten. Ford was bovendien direct de hoofdact; een voorprogramma ontbrak. Bij de aankondiging werd het publiek verzocht om, op verzoek van de artiest, terughoudend te zijn met het maken van foto’s en filmpjes en vooral in het moment te genieten. Gedurende het concert werd daar respectvol gehoor aan gegeven. Misschien was dat ook wel een generatiekwestie.
Ford opende met ‘Make My Own Weather’, afkomstig van zijn album ‘Two Shades of Blue’ uit 2026. Op die plaat had hij samengewerkt met Jonny Henderson op Hammondorgel en Ianto Tomas op drums. De blazerssectie ontbrak deze avond, maar dat betekende niet dat het instrumentale palet aan kracht verloor.
De Hammond speelde namelijk een fraaie rol. Wat een prachtig instrument bleef het toch! Henderson, die op zijn sokken achter het orgel plaatsnam, trakteerde het publiek meermaals op een solo-intermezzo. Daarbij kreeg hij van de maestro alle ruimte om zijn muzikale kwaliteiten te etaleren.
Ook John Lennons ‘Jealous Guy’ kwam voorbij, eveneens afkomstig van ‘Two Shades of Blue’. Zoals Ford zelf aangaf, had deze song geen introductie nodig. Hij maakte daarnaast een kwinkslag naar het streamen van muziek, iets wat volgens hem vooral bij de jongere generatie hoorde. „No offense, but you can’t stream a cup of coffee, can you?” Een gevatte opmerking, waarmee hij zijn voorkeur voor de beleving van het moment nog eens onderstreepte.
‘Black Night’, eveneens afkomstig van het laatste album, was een pakkende bluescompositie die de aandacht wist vast te houden. Ook ‘Cannonball Shuffle’, een instrumentale ode aan Freddy King, behoorde tot de muzikale hoogtepunten. De bijnaam Cannonball verwees naar diens fysieke verschijning en de enorme energie waarmee hij zijn gitaar bespeelde.
Een ander sterk moment was ‘Feeling’s Mutual’, eveneens afkomstig van het meest recente album. De compositie had een duidelijke inspiratiebron: funklegende Maceo Parker. Juist tijdens dit nummer kwam er meer energie los op het podium en won het optreden aan dynamiek.
Van een van zijn meest gewaardeerde albums, ‘Bringing It Back Home’, speelde Ford een degelijke versie van ‘Fool’s Paradise’. Daarbij grapte hij dat hij de titel van een song van Bob Dylan had geplagieerd, maar simpelweg het woordje ‘All’ had weggelaten. Et voilà: een nieuwe titel was geboren.
Aan Fords gitaarspel en solotechniek viel weinig af te dingen. Het Robben Ford Trio speelde soepel, bijna smooth-jazzachtig en bovenal gedegen. De Hammond kreeg volop ruimte, de band speelde strak en Ford onderstreepte opnieuw waarom hij tot de meest gerespecteerde gitaristen van zijn generatie behoort.
Toch sloop er na ruim 60 minuten enige sleet in het optreden. Niet alle composities bleken even pakkend, los van de momenten waarop Ford met zijn gitaarspel excelleerde. Vakmanschap alleen bleek niet altijd voldoende om de aandacht onverminderd vast te houden. Waardoor de spanning van het optreden na verloop van tijd wat afnam.
Ford was in een later stadium van zijn carrière ook meer gaan zingen, en dat deed hij zeker niet onverdienstelijk. Toch mocht zijn stem best wat meer gruis en volume bevatten. Dat had de nummers net dat extra beetje pit kunnen geven. Ook de keuze om de blazerssectie thuis te laten, pakte niet in alle opzichten gunstig uit. Een bredere bezetting had voor meer kleur en afwisseling kunnen zorgen.
Ford hield zich voornamelijk bezig met waarvoor hij naar de Cacaofabriek was gekomen: muziek maken, in het moment en zonder al te veel poespas. Dat paste bij zijn verzoek om telefoons zoveel mogelijk weg te leggen.
Voor liefhebbers van blues, verweven met jazzy elementen, viel er desondanks voldoende te genieten. Wie als jongere luisteraar meer dynamiek en afwisseling zocht, kon prima terecht bij de eerdergenoemde John Mayer, Joe Bonamassa of Marcus King. En voor wie liever muziek streamde, kon altijd nog een vers kopje koffie zetten, terwijl het laatste album van Bonamassa door de speakers klonk.
Na een toegift voor het publiek van de Cacaofabriek had Robben Ford zijn indrukwekkende staat van dienst opnieuw onderstreept. De avond bevestigde zijn kwaliteiten als gitarist en bandleider, maar liet ook zien dat vakmanschap niet automatisch voor voortdurende spanning zorgt. Met meer dynamiek en wellicht de terugkeer van zijn blazerssectie had het optreden aan kracht kunnen winnen. Robben Ford overtuigde dus vooral door zijn beheersing en ervaring, maar liet de luisteraar ook verlangen naar wat meer vuur.
