Wie de recensie van ‘Idrache (Traces of the Past)’ op deze site nog kent, weet dat de vraag destijds luid en duidelijk in de lucht hing: kan Tinariwen nog terugkeren naar de essentie van hun ‘Tishoumaren’, of zijn ze voorgoed gevangenen geworden van het westerse festivalcircuit dat hen zo warm omhelst? Met ‘Hoggar’, hun tiende studioalbum, geven Ibrahim Ag Alhabib en zijn medemuzikanten een antwoord dat veel duidelijker is dan iedereen misschien had durven hopen.
Het antwoord is: ja. En hoe.
‘Hoggar’ is opgenomen in Tamanrasset, het hart van zuidelijk Algerije, in de studio van de jongere Toearegroep Imarhan. Dat is geen toeval. Het is in diezelfde stad dat Tinariwen in 1979 als vluchtelingen voor het eerst muziek maakten, met zelfgebouwde gitaren en cassettebandjes als enig distributiemiddel. De kring is nu rond. Geen Daniel Lanois aan de knoppen dit keer, geen banjospelers ingevlogen vanuit Nashville. In plaats daarvan: producer Patrick Votan, die de sessies helder en onopgesmukt vastlegde, en een handvol jonge Toearegmuzikanten zoals Iyad Moussa Ben Abderrahmane (van Imarhan), Hicham Bouhasse en Haiballah Akhamouk. Het resultaat klinkt als een kampvuur om middernacht in de woestijn. Akoestische gitaren, handgeklap, darboeka’s die de maat slaan, meerstemmige zang die golft en zweeft. Wie het vorige album ‘Amatssou’ een uitstapje naar country vond, kan nu zijn zorgen parkeren.
De stemmen op ‘Hoggar’ klinken zwaarder dan ooit. Niet vermoeider, maar wijzer. Dat is een belangrijk onderscheid. De opener ‘Amidinim Ehaf Solan’ begint met slepende gitaarnoten die als hittegolven boven het asfalt hangen, waarna de rest van de band instap met een ritme dat je direct meesleurt. De tekst spreekt van nationale wedergeboorte in barre tijden, een thema dat door het hele album weerklinkt als een rode draad van zacht maar hardnekkig verzet. Bijzonder aan ‘Hoggar’ is ook de reünie met mede-oprichter Liya Ag Ablil, na vijfentwintig jaar afwezigheid. En voor het eerst in meer dan dertig jaar zingen Ibrahim Ag Alhabib en Abdallah Ag Alhousseyni opnieuw samen op dezelfde plaat. Die eensgezindheid is hoorbaar, zelfs voor wie geen woord Tamasheq spreekt.
De gastoptredens op ‘Hoggar’ zijn gekozen met een precisie die veel studioalbums tegenwoordig missen. José González, de Zweeds-Argentijnse folkzanger, is te horen op ‘Imidiwan Takyadam’. Zijn Spaanstalige zang over mensen die dezelfde hemel delen, past naadloos bij de Tamasheq-tekst over vluchtelingen die verspreid zijn over verre landen. Geen krachttour, geen naamsbekendheid als verkoopargument, maar een stem die de sfeer aanvult zonder hem te domineren. Nog fraaier is ‘Sagherat Assani’, een traditioneel Soedanees lied waarop zangeres en oud-speelster Sulafa Elyas de show steelt. Dit is het meest ritmisch uitbundige nummer van het album, een moment van onverwacht licht in een verder overwegend ingetogen verzameling. Voor wie Tinariwen nog niet kent: begin hier. Het geeft precies de juiste indruk van wat deze groep vermag als ze op hun best zijn.
‘Hoggar’ draagt zijn politieke lading niet zwaar, maar wel serieus. Het sluitstuk ‘Aba Malik’ is een sober afscheid waarbij Alhousseyni’s stem terugkeert over kale instrumentering, waarschuwend tegen verdeeldheid en buitenlandse militaire inmenging in de Sahel. De context is concreet genoeg voor wie de krantenartikelen bijhoudt. De muziek draagt het gewicht ervan moeiteloos. Dat is de kunst van Tinariwen: ze maken van politiek geen pamflet, maar van pamfletten muziek. Het verschil is groter dan het lijkt.
Na het overwegend compilatorische ‘Idrache’ in 2024 is ‘Hoggar’ een echte comeback in de beste zin van het woord: geen heruitvinding, maar een herbevestiging. Tinariwen laat hier zien dat ze hun eigen genre nog altijd beter beheersen dan wie dan ook, en dat leeftijd geen vijand is van kracht. Integendeel. Niet elke luisteraar zal even snel worden meegesleurd. Wie gewend is aan structuren met refreinen, coupletopbouw en bruggetjes, zal wat geduld moeten oefenen. Maar wie zich overgeeft aan de hypnotiserende golving van de gitaren en de archaïsche schoonheid van de Tamasheq-zang, zal merken dat er geen weg meer terug is. ‘Hoggar’, zo heet het gebergte in de centrale Sahara dat al eeuwenlang symbool staat voor Toeareg-thuisland en veerkracht. Dat de band hun beste album in jaren naar dit gebergte heeft vernoemd, is geen toeval. Dit is muziek die even onwrikbaar is als steen en even oud aanvoelt als het zand eromheen. Een Meesterwerk. (9/10) (Wedge)
