Er is een moment, ergens in de openingsmaten van ‘Open My Eyes’, waar Ron Carters contrabas binnenkomt met zo’n weloverwogen tederheid dat het minder aanvoelt als een muzikaal statement en meer als een gebed dat in het hout van het instrument wordt gefluisterd. En dan rijst Dr. Ricky Dillards New-G Choir erachter op, niet binnenstormend maar opstijgend, zoals wierook opstijgt in een zondagochtendkerk. Precies daar, in die eerste seconden, begrijp je wat Sweet, Sweet Spirit’ is: geen genre-experiment, geen marketingtruc, maar een daad van toewijding die dertig jaar in de maak was.
Het achtergrondverhaal alleen al zou een documentaire kunnen vullen. Toen mevrouw Willie O. Carter, Rons moeder, haar laatste dagen doorbracht in een zorginstelling, vroeg ze haar zoon, de man die op meer dan 2.200 albums had gespeeld, die het anker was geweest van Miles Davis’ Second Great Quintet, die een Guinness World Record op zijn naam heeft, om de hymnes uit zijn jeugd in Detroit te zingen. Carter ging naar huis, componeerde basarrangementen rond tien van haar meest geliefde kerkliederen en nam ze voor haar op voor haar laatste weken. Die privéopnames werden het zaad voor dit album. Bijna dertig jaar later vond Carter eindelijk de juiste medewerker om de liederen van zijn moeder naar de wereld te brengen.
Die medewerker kon alleen Ricky Dillard zijn. De in Chicago geboren koormeester heeft meer dan 35 jaar de gospelkoormuziek hervormd, van zijn voor een Grammy genomineerde debuut The Promise in 1990 tot zijn vurige”Choirmaster-serie voor Motown Gospel. Zijn New-G Choir brengt een explosieve energie naar alles wat ze aanraken. Als je je ooit hebt afgevraagd hoe Aretha Franklins legendarische ‘Amazing Grace’-sessies zouden klinken, gefilterd door een Blue Note-gevoeligheid, met ’s werelds grootste levende bassist aan het roer, dan is ‘Sweet, Sweet Spirit’ je antwoord.
De tien nummers zijn allemaal traditionele hymnes, ‘Pass Me Not’, ‘Farther Along’, ‘Just A Closer Walk With Thee’, ‘In The Garden’, ‘Softly and Tenderly’, liederen die de meeste luisteraars vanaf de eerste frase zullen herkennen. Die vertrouwdheid maakt de prestatie van Carter en Dillard des te opvallender. Ze deconstrueren deze hymnes niet en behandelen ze niet ironisch. Ze hercontextualiseren ze, waarbij Carters verfijnde harmonische taal naast Dillards dynamische koorarrangementen wordt geplaatst op een manier die tegelijkertijd oeroud en verrassend nieuw aanvoelt.
Carters bas fungeert als verteller doorheen het hele album en begeleidt elk stuk met de melodische autoriteit die hij meebracht naar Wayne Shorters ‘Speak No Evil’ of Herbie Hancocks Maiden Voyage’. Zijn toon is warm en houtachtig, nooit pronkerig, altijd dienend aan het nummer. Op zijn 88ste speelt Carter met het soort zuinigheid dat alleen een leven vol muziek kan aanleren. Elke noot landt met een bedoeling.
Dillard op zijn beurt dirigeert zijn koor met kenmerkende precisie en vuur. Het New-G ensemble functioneert minder als een begeleidende zanggroep en meer als een volwaardig instrument, soms een massief orgel, soms een delicate strijkerssectie, af en toe een onstuitbare kracht van pure vervoering. Op ‘Everybody Will Be Happy’ bouwen ze op van een zacht gemurmel naar een dakverheffend crescendo dat de meest overtuigde atheïst in welke jazzclub in Amerika dan ook zou bekeren. ‘Just A Little Talk With Jesus’ toont Dillards gave voor dynamische controle, de manier waarop hij dertig stemmen kan terugbrengen tot een fluistering, Carters bas kan laten ademen in de stilte, om het koor dan brullend terug te laten komen met de intensiteit van een opwekkingsbijeenkomst.
Als er kritiek is, dan is het een milde. De aanhoudende sfeer van spirituele verheffing op het album betekent dat er weinig scherpe wendingen of verrassingen zijn. Luisteraars die hopen op het harmonische avonturisme dat Carter meebracht naar zijn meer experimentele werk, zullen de arrangementen misschien relatief rechttoe rechtaan vinden. Maar dat gaat voorbij aan de essentie. ‘Sweet, Sweet Spirit’ was nooit bedoeld als een showcase voor virtuositeit. Het is een liefdesbrief van een zoon aan zijn moeder, en de ingetogenheid ervan is de kracht.
De titeltrack staat als het middelpunt van het album, een lichtgevende herinterpretatie van Doris Akers’ klassieker die sinds 1962 een vaste waarde is in kerken. Carters bas creëert een lopend fundament dat subtiel knikt naar de jazztraditie, terwijl Dillards koor de melodie brengt met een warmte en overtuiging die je de rillingen over de rug bezorgt. Het is, simpelweg, een van de mooiste opnames waar beide artiesten ooit deel van hebben uitgemaakt.
‘Sweet, Sweet Spirit’ markeert een oprechte primeur: de eerste gezamenlijke release voor zowel Blue Note Records als Motown Gospel. Dat alleen al signaleert de culturele betekenis ervan. Maar voorbij de historische handdruk tussen genres ligt iets veel universelers, een herinnering dat jazz en gospel altijd broers en zussen zijn geweest, geboren uit dezelfde bron van Afro-Amerikaanse expressie, en dat het soms de liefde van een moeder vergt om ze weer samen te brengen.
Wanneer deze muziek klinkt, kan men zich werkelijk voorstellen dat Willie O. Carter van boven glimlacht, in vreugde en in geloof. (8/10) (Motown Gospel / Blue Note Records)
