Afgelopen weekend verscheen in de media een artikel waarin DeWolff-voorman Pablo van de Poel flink uithaalde naar tributebands. “Met fucking tributebands draag je niets wezenlijks bij aan de cultuursector”, aldus Van de Poel. Tributebands zouden de podiumruimte innemen van originele acts, waardoor de Nederlandse popsector “stervende” zou zijn.
Op het eerste gezicht klinkt dat logisch. Maar wie even doordenkt, ziet dat Van de Poel op de verkeerde vijand schiet, en daarbij gemakshalve zijn eigen verleden vergeet.
De poppodia zijn niet de vijand
Eerst even een misverstand uit de wereld helpen: poppodia kiezen niet voor tributebands omdat ze originele muziek niet belangrijk vinden. Integendeel. In datzelfde artikel nuanceert VNPF-directeur Berend Schans het beeld al: “Tribute-acts zijn geen doel op zich, maar steeds vaker een instrument om financiële gaten te dichten.” Daar zit de crux. Poppodia hebben een publieke opdracht én moeten financieel overleven. Gemeenten indexeren al jaren onvoldoende mee met stijgende lasten. De energierekening explodeert, de personeelskosten stijgen, maar de subsidies blijven achter.
Tributebands zijn geen oorzaak van de malaise in de popsector. Ze zijn een symptoom. Haal je de tributebands weg zonder het onderliggende financieringsprobleem op te lossen, dan vallen de podia om. Dan heb je helemaal geen plek meer voor originele bands, ook niet voor DeWolff.
Programmeur Hans Boersbroek van Poppodium de Leeuwierik in Zutphen zegt het in het artikel treffend: hij programmeert tributebands om zijn zaal draaiende te houden, zodat hij óók ruimte kan bieden aan nieuwe acts. Dat is geen uitverkoop van de cultuur. Dat is overleven.
Hardwerkende muzikanten
Laten we ook even stilstaan bij wie er eigenlijk in die tributebands spelen. Dat zijn geen hobbyisten die voor de lol wat aanklooien. Dat zijn hardwerkende muzikanten die precies hetzelfde hondenleven leiden als elke andere tourende act.
Ze rijden ’s avonds honderden kilometers in een te klein busje. Ze bouwen op, soundchecken, spelen hun set, breken af. Ze mogen om twee uur ’s nachts een half-warme gehaktbal wegkauwen bij het tankstation terwijl ze hun gitaren tussen de versterkers proppen. Ze komen om vier uur thuis en staan de volgende ochtend weer op voor hun bijbaan, want van muziek alleen kun je niet leven.
Het enige verschil met een ‘originele’ band? De setlist. Verder is het dezelfde toewijding, dezelfde opoffering, hetzelfde vakmanschap. Sterker nog: een goede tributeband speelt noot voor noot perfecte covers, en dat is een technische prestatie die niet onderdoet voor eigen werk schrijven.
Pablo van de Poel mag dan vinden dat tributebands “niets wezenlijks” bijdragen. Maar ik zou hem graag eens willen zien uitleggen aan de toetsenist van een Queen-tribute, die net vier uur heeft gereden voor een gage waar na aftrek van kosten drie tientjes van overblijft, dat zijn werk geen waarde heeft.
De wortels van Pablo van de Poel
Er is meer. Want wie is Pablo van de Poel om zo stellig te beweren dat tributebands “niets wezenlijks” bijdragen aan de cultuursector?
Kijk naar zijn eigen muzikale vorming. Pablo’s vader Patrick van de Poel zong jarenlang in een coverband die muziek uit de sixties speelde. Pablo groeide op te midden van de repetities en optredens van die coverband. Het vormde zijn muzikale smaak. In interviews heeft hij daar nooit geheimzinnig over gedaan: “Als kind pik je daar automatisch wat van mee.”
Sterker nog: Pablo trad zelf op in een coverproject. Samen met zijn vader Patrick speelde hij in ‘Power Flower’, een formatie die een “verwijzing naar Woodstock en Flower Power” was. Ze traden onder meer op tijdens ‘Woetsjtok’ in Brunssum.
En DeWolff zelf? Wie de band kent van hun vele liveconcerten, en ze spelen veel, weet dat de covers je om de oren vliegen. Setlist.fm documenteert covers van The Allman Brothers Band, The Band, Black Sabbath, Free, Rory Gallagher en zelfs Jessie J. Pablo zelf heeft gezegd: “In het begin hebben we alles aangeleerd door mijn idolen na te spelen.”
Er is niets mis met covers spelen. Er is niets mis met je laten inspireren door je voorgangers. Maar dan moet je niet met opgeheven vinger beweren dat mensen die covers of tributes spelen “niets wezenlijks” bijdragen.
DeWolff: eerbetoon aan een tijdperk
Laten we eerlijk zijn over DeWolff zelf. De band maakt prima muziek, maar het is muziek die zo dicht tegen de jaren zestig en zeventig aan schurkt dat critici hen regelmatig beschrijven alsof er “een tijdcapsule zojuist is geland in het begin van de jaren zeventig”. Pablo’s vader Patrick zei het ooit zelf: “Deze jongens zijn eigenlijk te laat geboren.”
DeWolff is in feite een eerbetoon aan een tijdperk. En opnieuw: daar is niets mis mee. Maar het maakt de morele verontwaardiging over tributebands wel wat hol.
Het echte probleem
Van de Poel raakt in het artikel wel degelijk een gevoelige snaar als hij spreekt over de lage gages. Een beginnende band als De Bokkerijders krijgt vijfhonderd euro voor een optreden in Leeuwarden, na aftrek van reiskosten blijft er tachtig euro per persoon over. Dat is inderdaad beschamend weinig.
Maar de oplossing ligt niet in het wegpesten van tributebands. De oplossing ligt ergens anders.
De streamingdiensten betalen nauwelijks. Een miljoen streams levert een fractie op van wat vroeger een gouden plaat waard was. Stijgende huurprijzen in binnensteden drijven kleine podia uit de markt. Jongerencentra verdwijnen door bezuinigingen op welzijnswerk. Het publiek vergrijst en kiest vaker voor herkenning dan voor ontdekking. En nieuwe bands concurreren niet alleen met andere bands, maar met TikTok, Netflix en gaming.
Dat zijn de echte vijanden. Niet de Bee Gees-tribute die speelt voor een publiek dat toch nooit naar een experimentele metalband zou gaan.
Een gemiste kans
Het wrange is dat Pablo van de Poel ambassadeur is van het Jan Smeets Fonds, een Limburgs initiatief dat juist investeert in de voedingsbodem van de popsector. Het fonds erkent zelf dat “de afgelopen jaren de sector een afname zag van het aantal muziekcafés of kleinschalige broedplekken waar muzikanten konden optreden”.
Het Jan Smeets Fonds snapt het probleem. Tributebands zijn niet de vijand. Te weinig geld is de vijand. Het verdwijnen van kleine podia is de vijand. Het gebrek aan steun voor beginnende acts is de vijand.
Van de Poel had zijn platform in de media kunnen gebruiken om te pleiten voor betere financiering van de popsector. Voor hogere minimumgages. Voor behoud van kleine podia. Voor investering in talentontwikkeling. In plaats daarvan koos hij ervoor om te schieten op tributebands en de podia die ze programmeren. Podia die vaak met kunst en vliegwerk proberen te overleven én ruimte te bieden aan nieuwe muziek.
Tot slot: een persoonlijke noot
Ik moet eerlijk zijn: ook ik ben opgegroeid in het milieu van coverbands. Maar persoonlijk ga ik op een vrije avond liever naar een vernieuwende jazzact die hiphop en jazz met elkaar verbindt dan naar een AC/DC-tribute. Dat is mijn smaak. Maar het is precies dát, smaak.
Het punt is: duizenden anderen maken een andere keuze. Zij betalen graag voor een avond Bee Gees, ABBA of Queen. Zij genieten van die muziek, ze dansen erop, ze gaan met een glimlach naar huis. Wie ben ik, wie is Pablo van de Poel, om te zeggen dat hun avondje uit ‘geen cultuur’ is?
Er zit iets snobistisch in de positie van bevoorrechte rockers die het geluk hebben gehad dat hun muziek is aangeslagen, mede doordat die muziek zó doet denken aan de klassiekers van weleer, en die vervolgens neerkijken op tributebands. Cultuur is breder dan wat de critici en de subsidiecommissies waarderen. Cultuur is ook de volle zaal bij de Eagles-tribute. Cultuur is ook de gitarist die via covers de liefde voor muziek ontdekte en daarna eigen nummers ging schrijven.
Poppodia zijn niet de vijand van de originele muziek. Ze zijn medestanders die vechten om te overleven in een systeem dat cultuur stelselmatig onderfinanciert. Als Pablo van de Poel echt wil dat beginnende bands betere kansen krijgen, dan zou hij zijn pijlen moeten richten op de politiek, op de streamingdiensten, op de bezuinigingen.
En misschien zou hij zich af en toe mogen herinneren dat hij zelf zijn eerste muzikale stappen zette in de schoot van een coverband. Dat hij zelf coverde voordat hij creëerde. En dat DeWolff zelf niet zou bestaan zonder de traditie van muzikanten die het repertoire van hun voorgangers levend hielden. Tributebands zijn niet mijn ding. Maar ze zijn geen bedreiging voor de cultuur. Ze zijn er onderdeel van geworden, of we dat nu leuk vinden of niet.
