Drie jaar na haar tweede plaat ‘My Soft Machine’ keert Arlo Parks terug met ‘Ambiguous Desire’, haar derde studioalbum en haar meest gedurfde stap tot nu toe. De uit Hammersmith afkomstige singer-songwriter, die in 2021 de Mercury Prize won met haar debuut ‘Collapsed in Sunbeams’, neemt op dit album een bewuste artistieke sprong: van ingetogen slaapkamerpop naar de energie en de duisternis van de dansvloer. Het is een pivot die haar goed staat.
De inspiratie voor het album haalde Parks uit twee jaar intensief leven in het nachtleven van New York, Londen en Los Angeles. Ze frequenteerde clubs als Nowadays, Basement en Black Flamingo in Brooklyn en verwerkte die ervaringen in een plaat die klinkt als een samengesteld dagboek van nachtelijke ontvluchting, verliefdheid en kwetsbaarheid. Daarin tekent ze voor invloeden van The Streets, Burial, LCD Soundsystem en Theo Parrish, artiesten die ze naar eigen zeggen altijd al had bewonderd maar nooit eerder durfde verwerken in haar muziek. Het werken met producer Baird in zijn loft in downtown Manhattan gaf haar de vrijheid om de samengebrachte klanken te verkennen via modulaire synthesizers, Ableton-plugins en samplers, waardoor de productie een nieuwe texturale rijkdom heeft die haar eerdere werk mist.
Opener ‘Blue Disco’ brengt die sfeer met precisie: een relaxed, middentempo nummer met een zware synthbas en uitgestrekte orgelakkoorden, waarbij Parks een club schetst in verrassend concrete details, van de geur van friet en gin tot iemands neef die buiten ziek wordt. Dat vermogen om het banale en het lyrische te laten samenkomen is kenmerkend voor haar schrijverschap en blijft ook hier haar sterkste troef. ‘Jetta’ en ‘Get Go’ duwen de dansvloer verder op, de laatste met pirate radio-breakbeats en een verhaal over een vriendin die haar verdriet probeert weg te dansen, maar haar ex aan de bar tegenkomt. ‘Heaven’, geïnspireerd door een vroegochtend-dj-set van haar vriendin Kelly Lee Owens onder een brug op een Angelino-rave, bereikt de meest meeslepende productionele piek van het album, met een technogedreven basfrequentie die Parks naar eigen zeggen bijna van haar benen haalde.
De samenwerking met Sampha op ‘Senses’ is het enige gastoptreden op het album en tegelijk een van de sterkste momenten: de twee stemmen vinden elkaar in een gedeelde kwetsbaarheid die de nummers als vanzelfsprekend aanvoelt. ‘Luck of Life’ en ‘What If I Say It?’ tonen Parks op haar meest ingehouden, waarbij de tweede helft van het album een iets trager tempo aanslaat. Dat leidt soms tot een lichte eentonigheid, waardoor de individuele tracks minder scherp afgetekend klinken dan de singles. ‘South Seconds’, een kort uitstapje naar akoestische rust, fungeert als een ademruimte.
Afsluiter ‘Floette’ is geschreven als een eerbetoon aan queerness en persoonlijke groei, gezongen zachtjes over een vertraagde breakbeat. Het was de allereerste track die Parks voor dit album maakte, en dat geeft haar een bijzondere positie als ankerpunt voor alles wat ze op ‘Ambiguous Desire’ verkende. De plaat is geproduceerd door onder anderen Paul Epworth, Buddy Ross en Andrew Sarlo, en klinkt zorgvuldig maar nooit overproduced. ‘Ambiguous Desire’ is niet foutloos, maar het is Parks’ meest zelfverzekerde en levendigste werk tot nu toe. (8/10) (Transgressive)
