Naomi Scott, de Brits-Indiase actrice en zangeres die de wereld leerde kennen als Jasmine in de live-actionversie van ‘Aladdin’, heeft haar lang verwachte debuutalbum ‘F.I.G.’ uitgereikt, geproduceerd door de Noor Lido, en het klinkt alsof ze al die jaren niet heeft gewacht maar geluisterd. De titel is een drievoudige verwijzing: een acroniem voor ‘Fall Into Grace’, een knipoog naar haar tweede voornaam Grace, en een literaire referentie aan de vijgenboom uit Sylvia Plaths ‘The Bell Jar’, waarin elke vrucht een ander mogelijk leven vertegenwoordigt. Dat is nogal wat bagage voor een debuutalbum van elf nummers op 29 minuten. Maar Scott draagt het moeiteloos.
De geluidswereld van ‘F.I.G.’ is onmiskenbaar geworteld in de jaren tachtig, maar zonder de kramp van een museumstuk. De DNA van Prince, Sade, Phil Collins, Janet Jackson en Kate Bush is herkenbaar aanwezig, niet als imitatie maar als textuur: de zachte synthesizers, de ingehouden grooves, de ruimte die de atmosfeer krijgt om te ademen. Daar overheen liggen hedendaagse lagen van Blood Orange, Jessie Ware en Christine and the Queens, maar gefilterd door Scotts eigen introversie. Opener ‘Hellbent’ zet de toon: een liefdeslied doordrenkt met obsessie, gelaagde vocalen die over een traag brandende groove vallen, iets bijna devotioneels in de intensiteit, maar de productie houdt het altijd gegrond en laat het nooit doorslaan naar melodrama. Een betere thesis statement voor het album is nauwelijks denkbaar.
Wat ‘F.I.G.’ onderscheidt van de gemiddelde acteur-die-ook-zingt-aankondiging is de consistente keuze voor terughoudendheid. ‘Sweet Nausea’ distilleert verliefdheid in iets walgelijks maar verslavends, nauwelijks twee minuten lang, en herformuleert ongemak slim als begeerte. Het is minimalistisch, maar treft het doel. ‘Cut Me Loose’ is het emotionele middelpunt van het album, een spaarzame soulballad over het langzame verval van een relatie. Scott kiest niet voor dramatiek maar voor stille verwoesting, en de tekstregel “It can’t be worse than waiting” raakt met bijzonder gewicht, precies dat pijnlijke moment waarop men een gebroken hart al voelt aankomen.
‘Cherry’ is het nummer dat je aan een vriend doormailt als uitleg. Scott zweeft met een fluisterende sopraan over een speelse flirtmelodie voor een track die klinkt alsof Janet Jackson een Brits accent heeft aangenomen. Wie het nodig heeft: het is de meest toegankelijke schakel tussen de wereld van Scotts muzikale jeugd en wat ze hier van gemaakt heeft. Slottrack ‘Gracie’ keert terug naar de kern van het album. Met de referentie aan Scotts tweede voornaam voelt het als een gesprek tussen verschillende versies van zichzelf, de wens voor meer zachtmoedigheid, meer echtheid onder de prestatie. Het herformuleert alles wat daarvoor is gekomen.
‘F.I.G.’ is niet foutloos. De opbouw van het album voelt ongelijk: de sterkere singles staan voorin, en het tweede deel verliest momentum, met ‘Losing You’ als het merkwaardigste breekpunt, een melodie die losstaat van de rest en geen memorabel refrein heeft. Op een album dat anders zo consistent van toon is, valt dat ongemakkelijk op. Lido zorgt voor soepele productie zonder te overproduceren, en dat is zijn grootste verdienste. De soundbeds omhelzen Scotts stem zonder haar in te sluiten. Maar op twee of drie momenten in de tweede helft voelt de minimalistische aanpak minder als keuze en meer als invulvak.
‘F.I.G.’ fluistert met precisie en persoonlijkheid. Naomi Scott heeft jarenlang gewacht op de juiste rollen in Hollywood en die tijd blijkbaar goed besteed: ze heeft een eigen muzikaal idioom ontwikkeld dat niet leunt op haar bekendheid maar op haar overtuiging. Voor iedereen die de sensuele soul-pop van Jessie Ware of de verfijnde jaren-tachtignuances van Sade weet te waarderen, is dit een debuut dat de moeite meer dan waard is. Scott is hier niet de actrice die ook zingt. Ze is de zangeres. (7/10) (Alter Music)
