Luke Combs brengt met ‘The Way I Am’ zijn zesde studioalbum uit: een ambitieuze collectie van 22 tracks waarmee de countryreus uit North Carolina zijn territorium herovert na een jaar vol luiers en reflectie.
Want dat is de context die je nodig hebt om dit album te begrijpen. In ‘Fathers & Sons’ uit 2024, een persoonlijk en relatief introvert document over het vaderschap, trok Combs zich grotendeels terug uit het circuit om bij zijn gezin te zijn. Zijn derde zoon Chet werd in februari 2026 geboren. Het resultaat van die periode van rust en bezinning is geen stille plaat geworden, integendeel. ‘The Way I Am’ klinkt als iemand die een jaar lang zijn energie heeft opgestapeld en die nu in één keer op de wereld loslaat.
Het album begint met ‘Back in the Saddle’, en de titel liegt er niet om. Elektrische gitaar, stevige drums, een vleugje banjo: Combs kondigt zijn rentree aan als een man die precies weet hoe hij een menigte op de been krijgt. ‘My Kinda Saturday Night’ houdt het vuur brandend met steel guitar en een barroompiano die je rechtstreeks naar een zaal met zaagsel op de vloer transporteert. Bonfire, blue-tick hound, tailgate, je kunt het invullen. Combs werkt met vertrouwde ingrediënten, maar hij kookt er beter mee dan de meeste vakgenoten.
De productie van Combs zelf, samen met vaste collaborators Chip Matthews en Jonathan Singleton, is strak en ruimtelijk. Alles staat op zijn plaats; niets klinkt toevallig. Dit is geen studioalbum dat toevallig groot klinkt, dit is een plaat die ontworpen is voor stadions, en over drie weken begint Combs aan een wereldtournee die eindigt in augustus met drie avonden in Wembley Stadium.
De meest memorabele momenten liggen echter niet in de bombastische openers. ‘Ever Mine’, een duet met bluegrasslegende Alison Krauss, is het soort nummer dat je doet vergeten dat je eigenlijk geen countryliefhebber bent. Krauss’ stem glijdt over Combs’ robuuste stem als ochtendmist over een bergdal, en samen vertellen ze een oorlogsverhaal dat op papier oud klinkt maar in de praktijk de keel dichtknijpt.
‘Giving Her Away’ vertrekt vanuit het perspectief van een bruidegom die zijn toekomstige schoonvader toespreekt, een opzet die pathetisch zou kunnen uitvallen, maar die Combs met een nuance invult die oprecht aanvoelt. ‘Days Like These’, een co-schrijf met Brent Cobb en Aaron Raitiere, bevat de eenvoudigste maar treffendste regel van het album: “Money can’t buy days like these.”
En dan is er ‘Tell ‘Em About Tonight’, het sluitstuk van het album. Combs beschrijft een concert, het moment van verbinding met een zaal vol mensen, en formuleert zijn prioriteiten in één zin: zijn kinderen, zijn vrouw en vanavond. Als afscheidsbrief aan een carrière is het voorbarig, maar als mission statement werkt het feilloos.
Twintig nummers, misschien. Of achttien. Want 22 is, eerlijk gezegd, een getal dat elke platenmaatschappij gelukkig maakt en elke luisteraar een paar keer op de skipknop doet drukken. Niet omdat de zwakkere tracks slecht zijn, maar omdat ze in het gezelschap van de sterkere nummers wat bleken af te tekenen. Combs probeert hier ook zijn luisteraars gerust te stellen dat hij nog altijd de oude is, en dat zorgt voor momenten die overtuigen noch verrassen.
Luke Combs is een van de weinige mainstream countrybehemoths die geen poging doen om hip te klinken, die zich niet verliezen in pop of R&B, en die desondanks een stadionpubliek vullen zonder ook maar een millimeter in te leveren op ambacht. Voor iedereen die ooit zijn hart verloor aan ‘Beautiful Crazy’ is dit album een hereniging met een oude vriend. Groter, breder, rijper en precies zoals hij is. (7/10) (Sony Music Nashville)
