Elvis Presley werd nooit in Europa gezien. Niet één keer. De man die zichzelf King of Rock ‘n’ Roll liet noemen, heeft zijn Europese onderdanen nooit ontmoet, nooit voor ze gespeeld, nooit ook maar een backstagehanddruk uitgedeeld aan de Britten en Fransen die zijn platen versleten. De reden daarvoor was dat zijn manager, Colonel Tom Parker, in het echt Andreas Cornelis van Kuijk, geboren in Breda in 1909, illegaal de Verenigde Staten ingevaren was op een vrachtschip en te bang was om een paspoort aan te vragen dat zijn ware identiteit zou onthullen. De King of Rock ‘n’ Roll werd aan Europa onthouden door een illegale Nederlander die sparrows geel verfde en ze als kanaries verkocht op kermissen in het Amerikaanse Zuiden. Dat is geen metafoor. Dat is gewoon wat er gebeurde. Parker polijste Elvis tot een veilig, verkoopbaar product, stuurde hem de Hollywoodstudio’s in voor een reeks flauwe muziekfilmpjes en kasseerde uiteindelijk vijftig procent van alles. Elvis was briljant, charismatisch en echt, maar Parker zorgde er vakkundig voor dat de gevaarlijke kanten werden bijgeslepen. Een ideale schoonzoon, zo noemen ze het wel. Hij was het ook, letterlijk: Parker regelde in 1967 zelfs het huwelijk met Priscilla om zijn artiest te temmen.Terwijl Parker zijn kunstwerk verhandelde, was de rest van de wereld gewoon doorgegaan.
Kerstavond, Houston, een .32 revolver
Op de eerste kerstdag van 1954 speelde Johnny Ace een show in het City Auditorium in Houston, Texas. In de pauze tussen twee sets, backstage, pakte hij zijn pistool. Zijn naam was John Marshall Alexander Jr.; hij was 25 jaar oud, net uitgeroepen tot meest gedraaide artiest van het jaar in de Amerikaanse R&B-markt, met zes hitsingles op rij, op tournee met B.B. King en Big Mama Thornton. Hij had alles om voor te leven.
Getuige Curtis Tillman zag wat er gebeurde: Ace had gedronken, zwaaide met het pistool aan tafel, iemand zei: “wees voorzichtig met dat ding” , Ace glimlachte en zei “het is niet geladen, kijk maar”, richtte het op zijn eigen hoofd, en haalde de trekker over. Big Mama Thornton rende de kleedkamer uit, schreeuwend dat Johnny Ace zichzelf had doodgeschoten. De pers meldde het als Russische roulette. Dat was het niet, maar de legende sloeg aan. Zijn platenlabel bracht zijn volgende single gewoon uit, ‘Pledging My Love’, dagen na zijn dood. Tien weken lang op nummer één in de R&B-hitparade. Zijn begrafenis in Memphis trok een menigte van vijfduizend mensen.
Elvis Presley had in de zomer van 1954 zijn eerste single bij Sun Studio opgenomen. Hij bestond nog niet voor de wereld. Ace was al een ster. Als hij had geleefd, had de grote crossover van zwarte muziek naar wit publiek misschien van twee kanten kunnen komen. De Amerikaanse muziekindustrie van 1954 was echter strikt gesegregeerd, R&B gecatalogiseerd als Race Music in de platenrekken. De industrie had het waarschijnlijk alsnog tegengehouden. Maar we zullen het nooit weten.
De Britten kwamen ook
Gene Vincent nam in 1956 ‘Be-Bop-a-Lula’ op, zo goed dat Elvis’ moeder dacht dat het haar eigen zoon was. Hij droeg zwart leer, reed een motor, brak zijn been en stond daarna gebogen over de microfoon met dat beschadigde been achter zich uitgestoken. David Bowie noemde die houding later ‘position number one’ en stal hem voor Ziggy Stardust. Vincent stierf in 1971 aan een maagzweer, 36 jaar oud.
Eddie Cochran was misschien de best uitgeruste van allemaal: hij kon spelen, schrijven en produceren, en Paul McCartney kende zijn ’20 Flight Rock’ zo grondig van buiten dat John Lennon hem op grond daarvan vroeg lid te worden van zijn bandje. Cochran stierf in april 1960 in een taxi-ongeluk bij Bath, 21 jaar oud, op weg naar een optreden. Billy Fury uit Liverpool scoorde in de jaren zestig evenveel hits als de Beatles, had een seksueel expliciete show die in Ierland rellen veroorzaakte, en was zo goed dat Keith Richards zijn debuutalbum ‘The Sound of Fury’ een van de onmisbare rock-‘n-roll-platen noemde. De Beatles auditionneerden voor zijn begeleidingsband. John Lennon weigerde zijn bassist te ontslaan. Ze gingen naar huis.
En dan was er Frederick Heath uit Willesden, Noord-Londen, die zichzelf Johnny Kidd noemde, een ooglapje droeg en een sabel op het podium zwaaide. In de nacht van juni 1960 schreef hij ‘Shakin’ All Over’ in het souterrain van de Freight Train Coffee Bar in Soho, om middernacht, na een optreden in Aylesbury. Het was bedoeld als B-kant. Gitarist Joe Moretti schiep het kenmerkende geluid door een aansteker als slide langs de frets te slepen. The Who noemden het later de beste Britse rocksingle van vóór The Beatles. Kidd stierf in 1966, 30 jaar oud, in een frontale botsing op de A58 bij Lancashire. Zijn bassist in die auto, Nick Simper, werd later mede-oprichter van Deep Purple.
De man die Arthur Crudup begreep
Wat Elvis’ grootheid verklaart, verklaart ook zijn beperking. ‘That’s All Right Mama’, zijn eerste single bij Sun Studio, was geschreven door de zwarte blueszanger Arthur ‘Big Boy’ Crudup in 1946. ‘My Baby Left Me’, dat Elvis twee jaar later voor RCA opnam, was ook van Crudup, uit 1950. Elvis was de vertaler, de brug naar een wit publiek dat anders nooit aan deze muziek was gekomen. Dat was zijn historische betekenis, en dat was tegelijk zijn ingreep: hij polijste de rauwheid die bij Crudup zat.
Vince Taylor nam ‘My Baby Left Me’ op in 1965. Ace Records omschreef die versie als ‘onbemiddeld, zo wild als het maar kan, een gebrul’. Taylor liet Crudup precies staan zoals hij was. Geen polijsten, geen Parker, geen Hollywood. Alleen de muziek en een man die er volledig in verdween.
Brian Holden uit Isleworth
Hij heette Brian Maurice Holden, geboren op 14 juli 1939 in Isleworth, Middlesex. Toen hij zeven was emigreerde zijn familie naar New Jersey en daarna naar Californië, nadat zijn zus trouwde met Joe Barbera van Hanna-Barbera Productions. De man die model zou staan voor het grootste rocksterren-alter ego in de geschiedenis groeide op in de schaduw van de Flintstones.
Zijn artiestennaam koos hij van een pakje Pall Mall-sigaretten: In hoc signo vinces, in dit teken zult gij overwinnen. Hij werd Vince Taylor.
In de vroege ochtend van juli 1961 arriveerde hij met zijn band op Gare du Nord in Parijs voor een festival in het Olympia. Een Britse promotor bood toplisting aan ieder die zich om zes uur ’s ochtends in volle podiumuitrusting voor de Parijse pers wilde aankleden. Taylor was de enige die zijn leer aantrok. Die middag stond zijn gezicht op de voorpagina van alle Parijse kranten als leider van de angelsaksische rock-‘n’-rollinvasie. Die avond sloot hij het programma. Johnny Hallyday zat in het leger. Taylor had vier jaar lang geen noemenswaardige concurrentie in Frankrijk.
Joe Strummer zei later: “Vince Taylor was het begin van de Britse rock ‘n’ roll. Vóór hem was er niets. Hij was een wonder.”
God, alien, vliegtuigmonteur
Ergens halverwege de jaren zestig begon de cocktail van zuur, amfetamines en alcohol zijn werk te doen. Taylor verscheen op een avond op het podium, in een wit laken, en vertelde het publiek dat het zich mocht verheugen, want hij was de profeet Matteüs. Zijn band vroeg waar hun geld was. Hij haalde 150 frank tevoorschijn en stak het in brand, omdat Jezus ook de geldwisselaars uit de tempel had verdreven. Een ambulance werd gebeld. De band deed de show zonder hem.
In 1966 liep David Bowie hem tegen het lijf in de La Gioconda-club in Londen, een stamkroeg voor muzikanten op Tottenham Court Road. Taylor was een wrak, een acid-slachtoffer, maar hij had iets. Op straat voor de tube-ingang rolde hij op een dag een wereldkaart uit op het trottoir en wees Bowie aan waar de aliens hun bases hadden, onder het Noordpoolgebied en in de bergen van Rusland. Bowie knielde naast hem neer op het trottoir en dacht: dit is te goed. Dit onthoud ik.
Vier jaar later begon hij aan het album dat hem onsterfelijk zou maken. De ruïne van Vince Taylor werd Ziggy Stardust.
Taylor zelf stierf op 28 augustus 1991 aan kanker, in Lausanne, Zwitserland, waar hij de laatste jaren van zijn leven had gewerkt als vliegtuigmonteur. Hij zei dat dit de gelukkigste tijd van zijn leven was geweest. De muziekwereld besteedde nauwelijks aandacht aan zijn dood. Van Morrison fluisterde zijn naam een jaar of acht later in een liedje: Vince Taylor used to live here / No one’s even heard of him.
Het monument dat hij niet kreeg staat hier.
